8. Urinewegstelsel

 

Het urinewegstelsel bestaat uit twee nieren en de urinewegen (twee urineleiders, urineblaas en urinebuis).

 

8.1 Nieren

De delen van de nier (ren) van buiten naar binnen:nierkapsel, een laag stevig bindweefsel;

  • nierschors (cortex), met malpighilichaampjes;
  • niermerg (medulla), gestructureerd tot mergpiramiden, bevatten lissen van Henle en verzamelbuizen;
  • nierkelk (calyx), de uitmondingsplaats van de verzamelbuizen;
  • nierbekken (pyelum, pelvis), de centrale holte in de nier;
  • nierpoort (hilum), met de bloedvaten en het begin van de urineleider (ureter).

Een nier heeft ongeveer 1 miljoen nefronen (functionele niereenheden). De delen van het nefron zijn: malpighilichaampjes met kapsel van Bowman en glomerulus, proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus en verzamelbuis.

In het malpighilichaampje vindt ultrafiltratie plaats. Het filtraat is voorurine: bloedvloeistof zonder bloedeiwitten en bloedcellen.

Water en bruikbare stoffen in de voorurine gaan via de wanden van proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus en de verzamelbuis terug naar het bloed. Dit wordt terugresorptie genoemd. In totaal gaat ruim 99% van de voorurine terug naar het bloed.

Tegelijk met terugresorptie vindt excretie plaats: bepaalde (afval)stoffen (o.a. ureum, mineralen) worden vanuit het bloed in proximale tubulus, lis van Henle en distale tubulus gebracht.

Aan het eind van de verzamelbuis is urine ontstaan.

De nieren handhaven de homeostase van het bloed door:

  • regulering van het bloedvolume en de bloeddruk;
  • controle op zouten- en waterhuishouding;
  • handhaving van de juiste pH door meer of minder H + en HCO 3- uit te scheiden.

De nierwerking staat onder invloed van:

  • parathormoon, bevordert terugresorptie van calcium en magnesium en excretie van fosfaat;
  • antidiuretisch hormoon (ADH), stimuleert de terugresorptie van water;
  • RAAS (renine-angiotensine-aldosteron-systeem): renine stimuleert de vorming van angiotensine dat vervolgens de afgifte van aldosteron bevordert. Dit hormoon stimuleert de terugresorptie van natrium en de excretie van kalium;
  • natriuretische peptiden, remmen het RAAS.

Bij tekort aan zuurstof in het bloed produceren de nieren meer erytropoëtine (EPO); dit hormoon stimuleert de aanmaak van rode bloedcellen in het beenmerg.

Vaatvoorziening:

  • nierslagader (arteria renalis), aftakkingen van de buikaorta, voeren per minuut één liter bloed naar de nieren;
  • interlobaire arteriën, vertakkingen van de nierslagader, liggen tussen de mergpiramiden;
  • boogarteriën, vertakkingen van de interlobaire arteriën, verlopen boogvormig aan de basis van de mergpiramiden;
  • interlobulaire arteriën; vertakkingen van de boogarteriën binnen het niermerg; arteriolen hiervan vormen een arteriële portale circulatie;
  • interlobulaire venulen en interlobaire venen, vervoeren het bloed uit niermerg en -schors;
  • nierader (v. renalis), mondt direct uit in de onderste holle ader.

 

8.2 Urine

De urinevorming (diurese) gebeurt continu; de urineproductie is 1,5 - 2 liter per etmaal. Urine bevat altijd:

  • water (96%);
  • zouten, zoals natrium, chloride en kalium;
  • ureum, creatinine en urinezuur, de afbraakproducten van eiwitten;
  • urobiline, afkomstig van bilirubine, kleurt urine geel;
  • 'versleten' epitheelcellen van wanden van de nefronen en de urinewegen.

Urine kan bevatten:

  • vitamine C, als de opname groter is dan het verbruik;
  • hormonen en hormoonresten.

 

8.3 Transport, opslag en verwijdering van urine

In de urinewegen vinden transport, opslag en verwijdering van de urine uit het lichaam plaats.

De onderdelen van de urinewegen zijn: twee urineleiders, urineblaas en urinebuis.

De urineleiders (ureters):

  • zijn 25 - 30 cm lang;
  • lopen van het nierhilum naar de urineblaas.

De urineblaas (vesicae urinaria):

  • is aan de binnenkant bedekt met rekbaar overgangsepitheel, behalve de blaasdriehoek (trigonum vesicae) met de uitmonding van de urineleiders;
  • kan 700 ml urine bevatten.

De urinebuis (urethra):

  • is bij de vrouw: 3 cm en bij de man 20 cm lang;
  • vervoert urine uit het lichaam.

Rondom de blaasuitgang liggen de inwendige sluitspier (m. sphincter vesicae), een onwillekeurige gladde spier, en de uitwendige sluitspier (m. sphincter urethrae), een willekeurige dwarsgestreepte spier.

 

8.4     Mictie

De urinelozing (mictie) gebeurt gemiddeld drie tot zes keer per etmaal. Is de urineblaas over de helft gevuld (300 ml), dan komt de mictiereflex op gang. Je voelt aandrang. Op geleide van je wil kun je de uitwendige sluitspier aanspannen (plas ophouden). Als je plast ontspan je deze spier.