5. Orgaanstelsels

De vijf organisatieniveaus van het lichaam zijn, van klein naar groot: cellen à weefsels à organen à orgaanstelsels à mens.

In dit leerboek is gekozen voor het reductieniveau van de orgaanstelsels omdat elk van de 10 orgaanstelsels een afzonderlijk te beschouwen samenhangend geheel van taken in het lichaam vervult.

 

5.1 Orgaanstelsels en hun functies

Het uitwendige milieu is de omgeving buiten het lichaam en de holten in het lichaam die met de buitenwereld in contact staan. 

Tot het inwendige milieu behoren het weefselvocht, het bloed en de lymfe.

Homeostase is het constant houden van factoren die het inwendige milieu bepalen, zoals vochtgehalte, zuurgraad, temperatuur, zuurstofgehalte, koolstofdioxidegehalte, hoeveelheid voedingsstoffen, hoeveelheid afvalstoffen en zoutgehalte.

Door de homeostase is het lichaam beschermd tegen extreme invloeden vanuit het uitwendige milieu.

Alle orgaanstelsels werken samen om de homeostase te bewerkstelligen.

De vijf vegetatieve orgaanstelsels en hun functies zijn:

  • circulatiestelsel − transport en afweer
  • spijsverteringsstelsel − voeding
  • urinewegstelsel − uitscheiding
  • ademhalingsstelsel − gaswisseling
  • huid − begrenzing

5.2. Regulatie van de vegetatieve functies

Vegetatieve integratie houdt in dat de vijf vegetatieve orgaanstelsels intensief samenwerken.

De vegetatieve integratie wordt verzorgd door het hormonale stelsel, het vegetatieve zenuwstelsel, de vegetatieve sensoriek en de vegetatieve motoriek.

 

5.3 Regulatie van de animale functies

De animale functies zorgen ervoor dat je kunt reageren op wat er in de buitenwereld gebeurt. De samenwerking die hierbij optreedt noem je animale integratie.

Regeling van de animale integratie gebeurt door de animale sensoriek, het animale zenuwstelsel en de animale motoriek.

 

5.4 Voortplanting

Het voortplantingsstelsel stelt de mens in staat om door geslachtelijke voortplanting nakomelingen te krijgen zodat de soort in stand blijft.

 

5.5 De totale mens

Het leerboek behandelt de tien orgaanstelsels in logische volgorde:

  • circulatiestelsel;
  • spijsverteringsstelsel;
  • urinewegstelsel;
  • ademhalingsstelsel;
  • huid;
  • hormonale stelsel;
  • zenuwstelsel;
  • sensorische stelsel;
  • motorische stelsel;
  • voortplantingsstelsel.