4. Topografie

Topografie beschrijft de plaats- en richtingaanduidingen van de lichaamsstructuren. Bij voorkeur wordt hiervoor de Terminologia Anatomica gebruikt.

 

4.1 De anatomische houding

De anatomische houding is de internationaal afgesproken uitgangshouding bij topografische beschrijvingen.

In deze houding:

  • staat de persoon rechtop;
  • houdt de persoon het hoofd rechtop;
  • houdt de persoon de armen gestrekt naast het lichaam;
  • zijn de handpalmen naar voren gekeerd;
  • zijn de voeten iets gespreid.

4.2 Doorsneden en lichaamsvlakken

Als je het lichaam of delen daarvan denkbeeldig doorsnijdt ontstaan lichaamsvlakken. De drie vlakken zijn:

  • frontaal vlak, evenwijdig aan de lichaamsas; verdeelt het lichaam of delen daarvan in voor en achter;
  • transversaal vlak, evenwijdig aan het vloeroppervlak; staat loodrecht op de lichaamsas en verdeelt het lichaam of delen daarvan in boven en onder;
  • sagittaal vlak, loodrecht op een frontaal vlak; verdeelt het lichaam of delen daarvan in links en rechts.

Dit medio-sagittale vlak (door neus en navel) deelt het lichaam in twee gelijke helften en wordt het mediaanvlak genoemd.

 

4.3 Plaatsaanduidingen

De topografie van statische lichaamsstructuren gebeurt met behulp van begrippenparen:

  • ventraal − dorsaal;
  • anterior − posterior;
  • centraal − perifeer;
  • craniaal − caudaal;
  • superior − inferior;
  • lateraal − mediaal;
  • proximaal − distaal;
  • sinister − dexter;
  • internus − externus.

4.4 Richtingaanduidingen

Bij richtingaanduidingen gebruik je begrippenparen die bewegingen uitdrukken:

  • flexie − extensie;
  • supinatie − pronatie;
  • abductie − adductie;
  • exorotatie − endorotatie;
  • opponeren − reponeren.

4.5 Indeling in hoofd, romp en ledematen

Het lichaam wordt grofweg ingedeeld in hoofd, romp en ledematen.

Het hoofd is de observatie- en commandopost van het lichaam.

De romp bevat de organen die ten dienste staan van de vegetatieve functies.

De ledematen worden verdeeld in bovenste extremiteiten (schoudergordel, armen en handen) en onderste extremiteiten (bekkengordel, benen en voeten).

 

4.6 Bouwelementen, holten en vliezen

De bouwelementen van het lichaam zijn (delen van) het skelet en de bijbehorende weke delen.

De weke delen rond skeletdelen bestaan van binnen naar buiten uit:

  • skeletspieren die met pezen vastzitten aan de botstukken;
  • spierfascie, een stevige bindweefselmantel rondom de spier; gaat aan de spieruiteinden over in de pees;
  • algemene fascie, de buitenste bindweefselmantel die alle eronder liggende structuren (inclusief zenuwen, bloed- en lymfevaten) omgeeft;
  • onderhuids losmazig bindweefsel;
  • huid; bij de lichaamsopeningen (mondholte, neusholte, anus, urinebuis en vagina) gaat de huid over in slijmvlies.

De lichaamsholten zijn de schedelholte, het wervelkanaal, de borstholte en de buikholte.

Schedelholte en wervelkanaal bevatten het zenuwweefsel van het centrale zenuwstelsel, dat door de schedelbeenderen en de wervels beschermd wordt.

De borstholte wordt gevormd door de thorax (ribben, borstbeen, spieren en wervels) en het diafragma. Het mediastinum is de ruimte tussen de longen en bevat het hart, de luchtpijp, de slokdarm en de grote bloedvaten.

De wanden van de buikholte zijn:

  • weke delen aan de voorkant (buikspieren, fascie en huid);
  • het diafragma aan de bovenkant;
  • rugspieren, wervelkolom en bekken aan de achter- en onderkant.

In de buikholte liggen: maag, darmen, lever, galblaas, alvleesklier, milt, nieren en urinewegen, en − bij de vrouw − geslachtsorganen.

De bekkenbodem bestaat vooral uit spieren. Hierin zitten de uitgangen van de endeldarm, van de urinewegen en − bij de vrouw −van de vagina.

Longen en hart in de borstholte en de meeste organen in de buikholte zijn omgeven door een dubbelwandig sereus vlies, bestaande uit een visceraal en een pariëtaal blad. Tussen beide bladen zit de sereuze holte, gevuld met sereus vocht. Deze bouw maakt een soepele beweging van de organen mogelijk.