18. Na de geboorte

18.1 Ontwikkeling

Drie componenten in de ontwikkeling van de mens zijn groei, rijping en leren.

Groei:

  • is de toename in afmeting en volume;
  • is een kwantitatief begrip (je kunt het meten);
  • is meestal het gevolg van celdelingen; de nieuw gevormde cellen gaan zich differentiëren (specifieke bouw) en specialiseren (specifieke functie);
  • gaat gepaard met afbraak; bijvoorbeeld:
    • de hoornlaag van de huid slijt continu af en wordt continu bijgemaakt;
    • rode bloedcellen sterven na 120 dagen en worden continu bijgemaakt;
    • botweefsel wordt continu afgebroken en opgebouwd.
  • is vanaf het begin van de embryonale fase tot het 18de levensjaar groter dan de afbraak;
  • is van het 18de tot het 45ste levensjaar ongeveer gelijk aan de afbraak;
  • is van het 45ste levensjaar tot de dood kleiner dan de afbraak.

Rijping:

  • is de ontwikkeling van volle wasdom;
  • kan betrekking hebben meerdere niveaus: cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels en het individu;
  • is een kwalitatief begrip (zegt iets over de hoedanigheid van het functioneren).

Leren:

  • is het zich eigen maken van kennis en vaardigheden.

De ontwikkeling van de mens wordt beïnvloed door endogene factoren en exogene factoren. Belangrijke endogene factoren zijn:

  • erfelijke aanleg (zie Hoofdstuk 15);
  • hormonale regulatie (zie 18.3 en Hoofdstuk 11).

Tot de exogene factoren behoren onze sociale, culturele, economische en milieuomstandigheden.

In de ontwikkeling van de mens zien we afwisselende perioden van vertraging en versnelling.

De fysiologische leeftijd (skeletleeftijd) is een betere maat voor het bepalen van de ontwikkelingsfase dan de kalenderleeftijd (aantal levensjaren). Ook de seksuele leeftijd (ontwikkelingsstadium van de secundaire geslachtskenmerken) geeft informatie over de ontwikkeling. De intelligentieleeftijd (verstandelijke ontwikkeling) kan worden gemeten door niveau- of intelligentietesten.

Een mensenleven wordt in de volgende levensfasen verdeeld: neonatale fase, zuigelingfase, peuterfase, kleuterfase, fase van het schoolkind, adolescentiefase, volwassenheid, fase van de ouderdom.

In de neonatale fase (eerste 4 weken):

  • vindt aanpassing plaats aan de overgang van het intra-uteriene naar het extra-uteriene leven.

In de zuigelingfase (1ste levensjaar):

  • is de baby hulpeloos en volledig afhankelijk;
  • wordt de basis gelegd voor het gevoel van vertrouwen in de wereld;
  • ontwikkelt de zuigeling zich grotendeels op basis van zijn zintuiglijke gewaarwordingen (huidgevoel, gehoor, smaak, zicht, reuk).

In de peuterfase (1−3 jaar):

  • streeft het kind naar autonomie;
  • nemen de afhankelijkheid af en de zelfstandigheid toe;
  • begint de peuter bewust te communiceren;
  • gaat de taal zich ontwikkelen.

In de kleuterfase (3−6 jaar):

  • staat het initiatief centraal; de kleuter speelt, onderzoekt en onderneemt;
  • vindt een spectaculaire motorische ontwikkeling plaats (de kleuter leert o.a. tekenen, schrijven, fietsen zwemmen).

In de fase van het schoolkind (6−12 jaar):

  • staan de leer- en de sociale ontwikkeling centraal;
  • heeft het kind vooral een constructieve instelling;
  • is het kind competitief en tegelijkertijd groepsgericht.

De adolescentiefase (12−20 jaar):

  • vormt de overgang van kind-zijn naar volwassenheid;
  • omvat de puberteitsfase (12−16 jaar);
  • wordt gekenmerkt door een grote seksuele ontwikkeling;
  • wordt gekenmerkt door het zoeken naar een nieuwe identiteit en naar intimiteit.

In de volwassenheid (20−70 jaar):

  • zijn er in verhouding met de voorgaande fasen geen grote lichamelijke ontwikkelingen;
  • gaat de verstandelijke ontwikkeling gestaag verder.

De fase van de ouderdom (70−levenseinde):

  • kenmerkt zich door zichtbare en voelbare veroudering van weefsels en organen.

18.3 Orgaanstelsels

Circulatiestelsel:

Het circulatiestelsel maakt bij de geboorte een grote verandering door (zie 17.2).

De hartfrequentie:

  • varieert bij een baby van 80 (slapen) en 120 (rustig wakker) tot 180 (huilen) slagen/minuut;
  • is in de peuter- en kleuterfase in rust ongeveer 80 slagen/minuut;
  • bereikt in de adolescentie de ‘volwassen’ waarde van gemiddeld 70 tot 75 slagen/minuut.

De bloeddruk:

  • varieert bij de pasgeborene: systolische druk is 55−80 mmHg, diastolische druk is 40−45 mmHg;
  • is in de zuigeling-, peuter- en kleuterfase gemiddeld 90/60 mmHg;
  • stijgt bij het schoolkind geleidelijk tot 110/65 mmHg;
  • bereikt tijdens de adolescentie de ‘volwassen’ waarde van 120/80 mmHg;
  • is bij ouderen gemiddeld weer iets hoger: 170/90 mmHg.

Het bloedvolume:

  • is bij de pasgeborene tegen de 10% van het lichaamsgewicht;
  • loopt geleidelijk tijdens de groei terug tot ongeveer 7,5% in de volwassenheid.

De samenstelling van het bloed:

  • wijkt rond de geboorte af vanwege het relatief grote aantal erytrocyten, waardoor het bloed een hoge zuurstoftransportcapaciteit heeft;
  • stabiliseert zich gedurende de kleuterfase tot de ‘volwassen’ waarden.

Bij de geboorte bevatten de mergholten van alle botten rood beenmerg (bloedvormend weefsel). Vanaf de peuterfase tot het begin van de adolescentie wordt het rode beenmerg in de pijpbeenderen geleidelijk aan vervangen door geel beenmerg.

Vanaf het 25ste levensjaar begint het circulatiestelsel geleidelijk aan te verouderen:

  • de sterkte van de hartwand neemt af;
  • het slagvolume neemt af;
  • de elasticiteit van de vaatwanden van met name de slagaders wordt minder (verstijving van de slagaders), waardoor de bloeddruk stijgt;
  • er ontstaat bloedvatvernauwing door plaquevorming; dit heet atherosclerose (aderverkalking) en treedt bij iedereen in zekere mate op.

Spijsverteringsstelsel

De meeste pasgeborenen hebben de eerste dag nog geen grote voedselbehoefte, deze komt hierna snel op gang. Het lichaamsgewicht daalt aanvankelijk gemiddeld 10% van het geboortegewicht.

Zuigelingen krijgen het benodigde vocht en voedsel via borst- of flesvoeding.

Colostrum:

  • is de eerste melk die de moeder na de bevalling produceert;
  • bevat veel eiwitten waaronder antistoffen die de pasgeborene in zekere mate beschermen;
  • bevat ook fosfolipiden, albumine, natriumchloride en vitamine A;
  • heeft een licht laxerende werking, om de eerste ontlasting van de baby te stimuleren.

Enkele dagen na de bevalling verandert de samenstelling van de moedermelk. De ‘rijpe’ moedermelk bevat relatief minder eiwitten en meer vetten en suikers (lactose) dan daarvoor.

De maaginhoud:

  • is bij de geboorte 50 ml; de zuigeling heeft dan ook 6−8 voedingen per etmaal nodig;
  • neemt in de eerste weken toe tot 100 à 150 ml en later in het eerste levensjaar tot 200 à 350 ml;
  • groeit in de peuterfase tot ongeveer 500 ml;
  • neemt tijdens de adolescentie de ‘volwassen’ afmeting aan.

De maagwand van de zuigeling vormt chymase, een enzym dat de melk stremt. Hierdoor blijven de eiwitten langer in de maag, wat de vertering ten goede komt.

De peristaltiek van het maag-darmkanaal van de zuigeling is onregelmatig en vaak pijnlijk en hevig (‘darmkrampjes’).

De productie van maagzuur is na de 4de levensmaand goed op gang gekomen.

Het darmkanaal bevat rond het 1ste levensjaar voldoende enzymen om koolhydraten, vetten en eiwitten te verteren. De overstap naar vast voedsel kan dan ook gedurende het eerste levensjaar gemaakt worden.

De lengte van het darmkanaal:

  • is bij de pasgeborene ongeveer 3,5 meter;
  • heeft bij de peuter een lengte van 4,5 meter;
  • bereikt na de grootste groeispurt de ‘volwassen’ lengte van ruim 6 meter.

Meconium:

  • is de eerste ontlasting van de pasgeborene;
  • is een reukloze taaie, donkergroene tot zwarte substantie;
  • bestaat uit ingedikte vruchtwaterresten, spijsverteringssappen, darmslijm, darmcellen en gal.

Na ongeveer een week is de ontlasting van de zuigeling goudgeel en dun, en ruikt deze zurig. De baby heeft één tot vier keer per etmaal ontlasting. Na de overstap naar vast voedsel krijgt de ontlasting dezelfde kenmerken als die van een volwassene. In de peuterfase wordt een kind gewoonlijk zindelijk.

Bij een pasgeborene zijn nog geen gebitselementen te zien, maar de snij- en hoektanden zijn in aanleg in de boven- en onderkaak aanwezig. De tanden en kiezen van het melkgebit komen vanaf de 6de maand in een vaste volgorde en op karakteristieke tijdstippen door. Datzelfde geldt voor de vervanging door het blijvende gebit.

 

Urinewegstelsel

De nieren functioneren al tijdens de foetale fase. De foetus drinkt vruchtwater en scheidt urine uit.

De urine:

  • van de pasgeborene en de zuigeling is nog weinig geconcentreerd (‘engelenwater’);
  • wordt aan het einde van de zuigelingfase geconcentreerder;
  • bereikt in de schoolkindfase de samenstelling die hoort bij de functionele rijpheid van de nieren.

Tijdens de ouderdom neemt de elasticiteit van de blaas behoorlijk af. Daardoor moeten ouderen meestal vaker plassen dan daarvoor en neemt de kracht van de urinelozing af. Bij oudere vrouwen kan in mindere of meerdere mate incontinentie ontstaan.

 

Ademhalingsstelsel

De ademhaling van de pasgeborene is binnen een minuut na de geboorte volledig op gang gekomen. De meeste longblaasjes hebben zich binnen 3 dagen ontplooid.

De ademhaling:

  • van de pasgeborene is erg onregelmatig:
    • de ademfrequentie in rust varieert van 40−70x per minuut;
    • het ademteugvolume varieert; de ademhaling is afwisselend diep en oppervlakkig;
  • is bij de zuigeling ook nogal onregelmatig:
    • de ademfrequentie is gemiddeld 30x per minuut;
    • het ademteugvolume blijft onregelmatig;
  • begint tijdens de peuterfase te stabiliseren:
    • de ademfrequentie neemt af tot 25x per minuut;
    • het ademteugvolume wordt regelmatig;
  • krijgt tijdens de adolescentiefase het ‘volwassen’ niveau.

De vitale capaciteit:

  • is op 6-jarige leeftijd gemiddeld 1,3 liter en op 12-jarige leeftijd twee keer zo groot;
  • krijgt tijdens de adolescentiefase de ‘volwassen’ waarde (4,5 liter bij mannen en 3,5 liter bij vrouwen);
  • neemt na het 25ste levensjaar bij de meeste mensen af, in totaal met gemiddeld 20−30 ml.

Het leren beheersen van de stembanden en de spraakspieren gebeurt meestal voor het tweede levensjaar. Tot de puberteit groeit het strottenhoofd geleidelijk, daarna treedt een groeiversnelling op. Bij jongens in de puberteit wordt binnen één jaar tijd de lengte van de stembanden 2x zo groot (van 8 tot 16 mm), met de ‘baard in de keel’ als gevolg.

Huid

 

De huid van de pasgeborene is zacht en roze; de nagelbedjes zijn donkerrood. De huid van met name het gezicht kan gerstekorrels (milia) bevatten: uitmondingen van verdikte talgkliertjes. Ze verdwijnen na enige tijd.

Gedurende de groei en ontwikkeling van het lichaam verandert de verhouding tussen inhoud en oppervlakte. Een klein kind heeft in verhouding een groter huidoppervlak dan een volwassene. De veranderingen in de verhoudingen hebben veel invloed op de temperatuurregulatie via de huid.

De veerkracht van de huid neemt met het ouder worden af doordat het vochtgehalte en de hoeveelheid elastische vezels in de lederhuid afnemen. Het verminderen van de elasticiteit veroorzaakt rimpels.

De haargroei tijdens de puberteitsfase is opvallend. Bij beide seksen groeien haren in de genitaalstreek en onder de oksels. Bij jongens zie je snor- en baardgroei en een extra beharing van borst, armen, benen en rug.

De haren van ouderen worden dunner en grijs, en op het hoofd kan bij mannen kaalheid optreden.

 

Hormonale stelsel

Het groeihormoon:

  • wordt continu gevormd in de adenohypofyse;
  • is in een bepaalde concentratie, kenmerkend voor de ontwikkelingsfase, in het bloed aanwezig;
  • is in de kinderjaren verantwoordelijk voor de lengtegroei, doordat het kraakbeengroei in de groeischijven van de pijpbeenderen stimuleert;
  • is samen met geslachtshormonen verantwoordelijk voor de groeispurt tijdens de puberteit;
  • speelt in de volwassenheid een rol bij de stofwisseling en het weefselherstel.

De schildklierhormonen:

  • worden continu in bepaalde mate geproduceerd;
  • zijn nodig voor de groei en ontwikkeling tijdens de kinderjaren;
  • stimuleren in het hele lichaam de celstofwisseling en de celgroei, ook op latere leeftijd.

Bij de vrouw vindt rond haar 50ste levensjaar een hormonale omslag plaats, waardoor de menstruele cyclus uiteindelijk tot stilstand komt. Dit wordt de menopauze (overgang) genoemd.

 

Zenuwstelsel

 

Het eerste half jaar wordt het functioneren van de baby grotendeels geregeld door de hersenstam en aangeboren reflexen. Tegen het eind van het eerste levensjaar ontwikkelt zich het bewustzijn en worden de grote hersenen actiever. Het kind leert bewust op de buitenwereld te reageren en bewuste bewegingen uit te voeren.

De hersenen worden steeds zwaarder, voornamelijk door de vorming van nieuwe zenuwceluitlopers. Ook het aantal onderlinge verbindingen neemt toe. Het kind krijgt achtereenvolgens steeds meer controle over de bewegingen van het hoofd, de romp, de armen en handen en tenslotte de benen en voeten.

Al in de foetale fase neemt het aantal hersencellen gestaag af; dit proces gaat het hele leven door.

In de ouderdom nemen de hersenfuncties meestal af: men ervaart een vermindering van het herinneringsvermogen, het vermogen om te leren en te associëren.

De slaapbehoefte:

  • is in de tijdens de eerste 4 levensmaanden erg groot (16−20 uur per etmaal);
  • neemt geleidelijk aan af; het schoolkind heeft 9−10 uur slaap nodig
  • is in de puberteit wat groter: 10−12 uur;
  • is in de volwassenheid gemiddeld 7−8 uur;
  • wordt bij de oudere groter, waarbij een gefragmenteerd slaappatroon wordt gezien: ’s nachts is de slaap korter en minder diep en overdag worden dutjes gedaan.

Sensorisch stelsel

De reukzin:

  • is bij een pasgeborene goed ontwikkeld; de baby herkent de lichaamsgeur van degene die hem voedt en de geur van de borst- of flesvoeding;
  • neemt tijdens de ontwikkeling tot volwassenheid niet veel toe.

Wat betreft de smaakzin:

  • een pasgeborene heeft een voorkeur voor zoet en een lichte afkeer van de overige smaakkwaliteiten;
  • in de loop van de eerste levensjaren leert iedereen smaken en geuren onderscheiden en meer of minder waarderen.

De tastzin:

  • is bij de pasgeborene volledig aanwezig;
  • vormt bij de pasgeborene de belangrijkste schakel in het contact met de omgeving.

De pijnzin:

  • is tijdens de eerste levensdagen nog niet volledig ontwikkeld, waarschijnlijk helpt dit de pasgeborene de traumatische gebeurtenis van de geboorte te doorstaan.

Wat betreft het zien:

  • een pasgeborene kan licht en donker onderscheiden;
  • een zuigeling kan een bewegend object met zijn ogen volgen;
  • rond de 4de levensmaand kan de baby accommoderen, maar is hij/zij nog bijziend (kan in de verte niet scherp zien);
  • tegen het zesde levensjaar ziet het kind net zo ver en scherp als een volwassene;
  • vanwege de grote soepelheid van de lens kan een kind tot heel dichtbij scherp zien (klein nabijheidspunt);
  • het traanapparaat ontwikkelt zich in de eerste maanden na de geboorte; na enkele maanden kan de baby met tranen huilen;
  • met het ouder worden wordt het nabijheidpunt groter en is een leesbril meestal noodzakelijk (ouderdomsverziendheid);
  • met het ouder worden treedt vertroebeling van de lens op, wat de behoefte aan een leesbril nog groter maakt.

Wat betreft het horen:

  • de foetus kan in de baarmoeder al horen;
  • het gehoor van jonge mensen heeft een frequentiebereik van 20−20.000 Hz;
  • met het ouder worden neemt de soepelheid van de basaalmembraan af, waardoor ouderen vooral hoge tonen niet goed meer kunnen horen;
  • ouderen hebben een frequentiebereik van 50 tot 8000 Hz, velen hebben een gehoorapparaat nodig.

Wat betreft de evenwichtszin:

  • het evenwicht bewaren komt pas in de peuterfase tot ontwikkeling;
  • in de ouderdom verslechtert het evenwichtsvermogen enigszins.

Motorische stelsel

De groei van het skelet bepaalt de lichaamslengte en is kenmerkend voor bepaalde levensfasen. In de eerste drie levensjaren en in de puberteit vinden groeispurten plaats.

In de loop van de kindertijd groeien de beenderen van de aangezichtsschedel meer uit dan de beenderen van de hersenschedel en krijgt het kind een groter gezicht.

De wervelkolom van een pasgeborene heeft nauwelijks voor- en achterwaartse krommingen. Achtereenvolgens ontstaan de cervicale lordose, de lumbale lordose (bij peuters versterkt) en de thoracale kyfose.

De stand van de benen maakt een ontwikkeling door:

  • een baby heeft O-benen;
  • de jonge peuter heeft rechte benen;
  • vanaf ongeveer 2,5 jaar krijgt het kind X-benen;
  • tussen het 3de en 6de jaar worden de benen weer recht.

Bij de pasgeborene zijn de bewegingen ongecoördineerd, ongericht en voor een groot deel bepaald door reflexen. De zuigeling heeft te zwakke spieren om het hoofd rechtop te houden.

De spierkracht neemt geleidelijk toe. De motorische ontwikkeling tijdens het eerste jaar verloopt als volgt: hoofd opheffen à hoofd rechtop houden à van buik naar rug rollen à van rug naar buik rollen à zitten à staan.

De peuter leert lopen en vervolgens meer fijn-motorische taken uitvoeren.

Aan het einde van de kleuterfase is de fijne motoriek grotendeels ontwikkeld.

Tussen het 25ste en 30ste levensjaar is het motorisch stelsel maximaal ontwikkeld. Daarna verslechteren de mechanische eigenschappen van skelet, gewrichten, spieren en pezen.

Op middelbare leeftijd neemt de botmassa af en worden de botten poreuzer. Dit wordt osteoporose genoemd.

 

Voortplantingsstelsel

De uitwendige geslachtsorganen van een pasgeborene zijn vaak wat gezwollen.

Bij de meeste pasgeboren jongetjes zijn de zaadballen in het scrotum afgedaald.

Tot het begin van de puberteit verloopt de ontwikkeling van de voortplantingsorganen heel geleidelijk. Daarna treedt de groeispurt op, waarbij schoolkinderen binnen relatief korte tijd veranderen in geslachtsrijpe jonge mannen en jonge vrouwen.

Rondom het 50ste levensjaar wordt bij vrouwen de menstruatiecyclus onregelmatiger, gevolgd door de menopauze. Door vermindering van de oestrogeenproductie worden de borsten wat kleiner en slapper, de vagina wordt minder elastisch en er wordt minder slijm in de vagina geproduceerd. Veel vrouwen hebben in de overgangsjaren last van opvliegers. Na de menopauze is de vrouw niet meer vruchtbaar.

De zaadproductie van de oudere man vermindert geleidelijk, maar in de regel blijft de man vruchtbaar. In de loop van de ouderdom is er bij de man gewoonlijk een vermindering van het erectievermogen (frequentie en duur).

 

18.4 Sterven en dood

De anatomisch-fysiologische verschijnselen bij een stervende zijn:

  • het huidgevoel verdwijnt, ook de pijngewaarwording wordt minder;
  • het gezichtsvermogen wordt slechter, veroorzaakt door dof en troebel worden van het hoornvlies en door het ontbreken van traanvocht;
  • de handen, de voeten en de neus worden koud door een verslechterde bloedcirculatie;
  • de bloeddruk daalt en er is een snelle en onregelmatige hartslag;
  • de ademhaling wordt traag, moeizaam en reutelend;
  • door spierzwakte zakt het hoofd opzij, zijn de mond en ogen half open, en wordt het slikken moeilijker;
  • de stervende krijgt een typische verschijnselen in het gezicht (facies hippocratica):
    • spitse, bleke en koele neuspunt;
    • spitse kin;
    • ingevallen slapen;
    • koele oren;
    • slappe, bewegingloze lippen;
    • slaphangende wangen;
    • bleke tot asgrauwe huidskleur;
    • koud zweet op het voorhoofd.

Wanneer de ademhaling van de stervende ophoudt, blijft het hart nog korte tijd kloppen. De dood treedt in door zuurstofgebrek in de hersenen.

De verschijnselen bij de overledene zijn achtereenvolgens:

  • er is geen pupilreflex meer, de ogen zijn dof en troebel;
  • na een kwartier neemt de oogboldruk af en zijn de pupillen niet meer rond;
  • na 15−30 minuten ontstaan lijkvlekken (bloed treedt uit de bloedvaten en stolt);
  • na 2−3 uur treedt lijkstijfheid op, binnen 12 uur is het lichaam geheel verstijfd;
  • na 24 uur begint het ontbindingsproces van het lichaam, gepaard gaand met gasvorming;
  • na 30 uur verdwijnt de lijkstijfheid.