17. Zwangerschap, bevalling en geboorte

17.1 Zwangerschap

Het eerste duidelijke teken van zwangerschap is het uitblijven van de menstruatie. Dit wordt veroorzaakt door het in stand blijven van het gele lichaam onder invloed van het hormoon humaan choriongonadotrofine (HCG), gevormd door trofoblastcellen.

De à terme datum = datum eerste dag laatste menstruatie + 7 dagen + 9 maanden.

De meeste orgaanstelsels van de zwangere vrouw ondergaan aanpassingen om de embryonale en foetale ontwikkeling mogelijk te maken en om het lichaam op de baring voor te bereiden.

 

17.2 Aanpassingen in de orgaanstelsels

Circulatiestelsel

Het circulatiestelsel van de zwangere past zich aan om het groeiende kind van voldoende voedingsstoffen en zuurstof te voorzien en de foetale afvalstoffen af te voeren.

De aanpassingen zijn: 

  • de vorming van spiraalarteriën in het endometrium waardoor moederlijk bloed rijkelijk tussen de chorionvlokken van de placenta stroomt;
  • toename van het hartminuutvolume met 25−50%;
  • toename van het bloedvolume met 20−30%;
  • toename van de hoeveelheid bloedplasma in verhouding met de bloedcellen, waardoor de zwangere meestal een iets lager hemoglobinegehalte heeft.

Soms treedt vochtophoping in de voeten en benen op doordat:

  • de hoeveelheid weefselvocht met ongeveer 15% toeneemt;
  • de veneuze terugvoer uit de benen in de laatste maanden ietwat belemmerd is door de druk van de zwangere uterus.

Spijsverteringsstelsel

De foetus heeft veel voedingsstoffen, vitamines en mineralen (ijzer en kalk) nodig. Bij een normaal voedingspatroon kan de zwangere daarin voorzien. Ze hoeft niet ‘voor twee’ te eten.

Onder invloed van hormonen uit de placenta zijn het bloedsuikergehalte en de hoeveelheid vrije vetzuren in het bloed verhoogd.

Andere verschijnselen zijn:

  • zwangerschapslusten: een onbedwingbare zin in bepaald voedsel;
  • plotselinge tegenzin tegen bepaalde etenswaren;
  • obstipatie, door een vertraagde peristaltiek.

Urinewegstelsel

De nieren moeten per tijdseenheid meer bloed zuiveren dan normaal.

Dit heeft tot gevolg dat:

  • niet altijd de normale hoeveelheid zout uit het bloed kan worden gehaald, waardoor de bloeddruk kan toenemen;
  • niet alle glucose teruggeresorbeerd wordt, waardoor er een kleine hoeveelheid suiker in de urine zit (glucosurie).

De urineblaas komt op het laatst wat in de verdrukking, waardoor de zwangere vaak moet plassen of de plas niet goed kan ophouden of juist moeite heeft met plassen.

 

Ademhalingsstelsel

Het ademhalingsstelsel regelt de verhoogde toevoer van zuurstof naar het moederlijke bloed. Het zuurstofverbruik van de zwangere neemt toe met 20−30%.

Aanpassingen zijn:

  • verhoging van het ademminuutvolume met 40% verhoogd (door toename van het ademteugvolume);
  • toename van de ademfrequentie tijdens inspanning.

Huid

De huid vertoont de volgende zwangerschapstekenen:

  • versterkte venentekening onder de huid van de borsten;
  • donkerder worden van de tepelhof en de tepels;
  • groter worden van de bultjes in de tepelhof;
  • striae, vooral op de buik en soms op de borsten (kleine scheurtjes in het onderhuidse bindweefsel).

Hormonale stelsel

De belangrijkste zwangerschapshormonen zijn:

  • HGC, meteen na de innesteling door trofoblastcellen van het embryo gevormd, houdt het gele lichaam in stand;
  • oestrogeen en progesteron en deze:
    • worden tijdens de eerste 12 weken geproduceerd door het gele lichaam;
    • worden tijdens de rest van de zwangerschap geproduceerd door de placenta;
    • houden het endometrium in de secretiefase in stand en remmen follikelrijping.

Andere belangrijke hormonale veranderingen tijdens zwangerschap zijn:

  • toename van het melanocytenstimulerend hormoon (uit de adenohypofyse), waardoor de huid op bepaalde plaatsen donkerder wordt;
  • toename van thyroxine (uit de schildklier), waardoor de celstofwisseling intensiever wordt;
  • toename van prolactine (uit de adenohypofyse), waardoor de ontwikkeling van borstklierweefsel gestimuleerd wordt.

Zenuwstelsel

In het zenuwstelsel doen zich geen meetbare anatomisch-fysiologische veranderingen voor.

 

Sensorisch stelsel

In het sensorische stelsel treden geen meetbare fysiologische of anatomische veranderingen op. Maar opvallend is dat de reuk- en smaakzin bij de zwangere vrouw veranderen, gepaard gaande met zwangerschapslusten en tegenzin tegen etenswaren en bepaalde geuren.

 

Motorisch stelsel

Het motorische stelsel vertoont een aantal aanpassingen:

  • versterkte lumbale lordose, door het extra gewicht aan de voorkant van het lichaam;
  • verweking van de ligamenten van de lage wervelkolom en de bekkengordel:
    • hierdoor neemt de beweeglijkheid van de bekkenverbindingen toe, wat gunstig is voor de baring;
    • hierdoor kan instabiliteit van de gewrichten optreden, wat pijn in het bekken, onderbuik en benen kan veroorzaken.

Soms treden ’s nachts spierkrampen op, vooral in de kuitspieren als gevolg van de iets belemmerde bloedtoevoer naar de benen door de vergrote baarmoeder.

 

Voorplantingsstelsel

Aanpassingen en veranderingen van het zwangerschapsstelsel zijn:

  • het teken van Chadwick: kleurverandering van roze naar blauwrood van kleine schaamlippen, de vaginawand en de portio;
  • de vorming van een slijmprop in de baarmoedermond, met een antibacteriële werking;
  • groei van de baarmoeder, tot 30 cm lang en 20 cm breed, en een gewicht van ongeveer 1000 gram;
  • groei van de borsten door:
    • toename van het klierweefsel;
    • verghoging van de doorbloeding;
    • vochtophoping.

17.3 Bevalling

Rond de 36ste week daalt de baby in: het hoofdje ligt aan het begin van de bekkeningang

Een complex samenspel tussen oestrogeen, oxytocine en bepaalde weefselhormonen uit de placenta leidt tot de bevalling.

Oestrogeen:

  • maakt de uteruswand prikkelbaar voor oxytocine.

Oxytocine:

  • wordt vlak voor de bevalling door het kind en de neurohypofyse van de moeder geproduceerd;
  • leidt tot krachtige contracties van de uteruswand;
  • stimuleert de afgifte van prostaglandines door de placenta.

De prostaglandines:

  • versterken de contracties.

Progesteron:

  • neemt drastisch in concentratie af, waardoor de contracties van de baarmoeder niet meer afgeremd worden.

Bij de ontsluiting wordt het baringskanaal geschikt maakt voor de passage van het kind. Het baringskanaal bestaat uit:

  • het benige bekken;
  • de weke delen binnen het bekken:
    • zijn de baarmoederhals, de bekkenbodem en de vagina;
    • worden tijdens de ontsluiting uitgerekt en omgevormd tot een buis.

Contracties van de baarmoeder die tot de ontsluiting leiden heten ontsluitingsweeën.

Bij het vorderen van de ontsluiting (duur gemiddeld 15 uur):

  • nemen de weeën in frequentie toe tot een keer per 2 à 3 minuten;
  • gaan de contracties per keer langer duren, tot 1 minuut;
  • duwt het ingedaalde hoofdje de doorgang geleidelijk open, geholpen door de vruchtzak (uitstulpende vruchtvliezen);
  • opent de baarmoedermond zich geleidelijk (verstrijken) tot een opening van ongeveer 10 cm wordt bereikt (= volledige ontsluiting);
  • kan de slijmprop loskomen;
  • kunnen de vruchtvliezen breken, waardoor het vruchtwater grotendeels wegstroomt.

Na volledige ontsluiting worden de contracties heftiger en frequenter, ze worden persweeën genoemd. De barende vrouw ervaart persdrang en ondersteunt door te persen de uitdrijving. van de baby. De duur van de uitdrijvingsfase is een paar minuten tot een uur.

 

17.4 Geboorte

Tijdens de passage door het geboortekanaal draait het hoofdje twee keer:

  • inwendige spildraai, het hoofdje maakt een lengterotatie van 90° en komt dezelfde stand als de overlangs-ovale vorm van de bekkenuitgang; het hoofdje wordt vervolgens geboren met het gezicht in de richting van de rug van de moeder;
  • uitwendige spildraai: de schouders maken daarna een rotatie van 90° om door de ovale bekkenuitgang te kunnen; door de schouderdraai maakt het reeds geboren hoofdje opnieuw een lengterotatie, terug naar de stand van vóór de inwendige spildraai.

Na de geboorte wordt navelstreng afgebonden en vervolgens doorgeknipt. De baby voelt dit niet.

Het doorknippen van de navelstreng en het gaan ademen veroorzaken een ingrijpende verandering in de bloedcirculatie van het kind.

Achtereenvolgende gebeurtenissen zijn:

  • de koolstofdioxidespanning in het bloed stijgt, doordat het niet meer naar de placenta afgevoerd wordt;
  • het ademcentrum wordt door het hoge CO2-gehalte geprikkeld en de baby gaat daardoor reflexmatig ademen;
  • de longblaasjes en de bijbehorende capillairnetwerken ontplooien zich;
  • de kleine en de grote circulatie gaan naast elkaar functioneren doordat het foramen ovale, ductus venosus en ductus arteriosus sluiten.

De apgarscore (maximaal 10 punten) is een maat voor de conditie van de pasgeborene. Hierbij wordt 0, 1 of 2 punten toegekend voor de kwaliteit van de hartfrequentie, de ademhaling, de spierspanning, de reactie op prikkels en de doorbloeding aan de hand van de kleur van de huid. De apgarscore wordt meteen na de geboorte en na 5 minuten bepaald. Een gezonde pasgeborene scoort de eerste keer minimaal 7 punten en de tweede keer 10 punten.

 

17.5 De kraamvrouw

Na de bevalling begint voor de kraamvrouw haar kraambedperiode.

Deze periode wordt gekenmerkt door:

  • het op gang komen van de borstvoeding;
  • het herstel van het lichaam van de bevalling:
    • de darmen nemen hun normale ligging in (binnen enkele uren);
    • de baarmoeder krijgt de normale afmetingen (binnen 12 dagen);
    • herstel van het endometrium en de weke delen van het baringskanaal (enkele weken);
    • terugkeer van de elasticiteit van de buikwand (enkele maanden).

De melkproductie wordt beïnvloed door:

  • prolactine uit de adenohypofyse, dit hormoon stimuleert de melkklieren tot melkafgifte;
  • het zuigen van de baby aan de tepel, dit wekt het toeschietreflex op.