16. Voor de geboorte

16.1 Overerving van eigenschappen

De erfelijkheidsleer (genetica) is de wetenschap die de overerving van eigenschappen onderzoekt.

Een gen is een stukje DNA-molecuul dat de informatie voor één eigenschap bevat. Elk gen heeft een bepaalde plaats (locus) in een bepaald chromosoom.

Het humane genoom is de totale erfelijke code van een mens in een haploïde set chromosomen (23).

Een karyogram (chromosoomportret) wordt gemaakt door de 23 paar homologe chromosomen naar vorm en grootte te rangschikken. De chromosomen van het 23ste paar verschillen bij de vrouw en de man: de vrouw heeft twee X-chromosomen en de man heeft een X- en een Y-chromosoom. De chromosomen van het 23ste paar bepalen het geslacht van het individu; ze worden daarom geslachtschromosomen genoemd.

Twee homologe chromosomen hebben dezelfde genensamenstelling; elk gen heeft dus een 'tweeling-gen’ op het homologe chromosoom. Zo'n paar overeenkomstige genen noem je een allelenpaar.

Homozygoot: iemand heeft twee dezelfde allelen voor een eigenschap.

Heterozygoot: iemand heeft twee verschillende allelen voor een eigenschap.

Heel vaak overheerst een van de twee allelen, zodat alleen de dominante eigenschap zichtbaar wordt (bijvoorbeeld bruine oogkleur overheerst over blauwe oogkleur). Zo’n overheersende allel heet een dominant allel. Het onderdrukte allel noem je recessief.

Als de allelen even sterk zijn verschijnt de eigenschap als een mengvorm bij het kind (bijvoorbeeld huidskleur).

Het fenotype is de verschijningsvorm van het individu. Het genotype is het geheel van erfelijke eigenschappen op de chromosomen bedoeld.

Door kansberekening is de overerving van bepaalde eigenschappen te voorspellen.

 

16.2 Embryonale ontwikkeling

De embryonale ontwikkeling is de periode vanaf de bevruchting tot ongeveer 8 weken daarna.

Achtereenvolgende processen hierbij zijn:

  • de bevruchte eicel bevindt zich in de eileider op weg naar de baarmoeder;
  • na 24 uur deelt de cel; dit is een klievingsdeling: de dochtercellen zijn half zo klein;
  • na nog drie klievingsdelingen ontstaat een 16-delig bolletje, de morula; deze bevindt zich nu in de buurt van de baarmoeder;
  • ongeveer vier dagen na de bevruchting is het embryo een met vocht gevuld blaasje, de blastocyst genoemd en daarbij:
    • heet de centrale holte blastulaholte;
    • ontstaan aan één kant trofoblastcellen, de voorloper van het 'placentagedeelte';
    • ontstaan aan de andere kant embryoblastcellen, de voorloper van het 'kindgedeelte';
  • de celdelingen gaan onverminderd door, het embryo wordt groter;
  • 6 dagen na de bevruchting wordt het embryo in het endometrium opgenomen; dit is de innesteling (nidatie);
  • 8 dagen na de bevruchting differentiëren de embryoblastcellen zich in twee kiembladen: entoderm en ectoderm (samen kiemschijf genoemd);
  • tussen ectoderm en trofoblast is de amnionholte ontstaan;
  • de trofoblast – vanaf nu chorion genoemd – groeit met chorionvlokken steeds verder het endometrium in. Zuurstof en voedingsstoffen gaan vanuit het moederlijke bloed naar de chorionholte, een met vocht gevulde holte rondom amnionholte, kiemschijf en blastulaholte;
  • de aanleg van de navelstreng wordt zichtbaar;
  • in de derde week van de ontwikkeling ontstaat het mesoderm, een derde kiemblad tussen entoderm en ectoderm in;
  • de kiemschijf wordt langwerpiger en de neurale groeve ontstaat;
  • in de vierde week is het embryo 180° gedraaid en zijn de oerdarm en de navelstrengvaten ontwikkeld; het hartje gaat kloppen;
  • de vruchtvliezen (chorion en amnion) komen tegen elkaar te liggen; het binnenin gelegen amnion produceert continu vruchtwater;
  • de neurale groeve verandert in de neurale buis, waarin zich het ruggenmerg ontwikkelt; de hersenen worden aangelegd;
  • vanaf de 20ste tot de 30ste dag komen de oersegmenten (somieten) tot ontwikkeling, elk met een huiddeel (dermatoom), een spierdeel (myotoom) en een skeletdeel (sclerotoom);
  • na vier weken is een hoofgedeelte zichtbaar, met de oogaanleg en de kieuwbogen, ook ontstaat de aanleg van de extremiteiten.
  • na ongeveer 8 weken is het embryo als 'klein mensje' herkenbaar.

16.3 Foetale ontwikkeling

In de foetale ontwikkeling vindt verdere ontwikkeling en groei van de aangelegde orgaanstelsels plaats. Deze fase duurt vanaf de embryonale fase tot aan de geboorte van het kind. De groeisnelheid is spectaculair.

Enkele opvallende gebeurtenissen in deze fase zijn:

  • de ogen komen al snel aan de voorkant van het hoofd te liggen; de oogleden zijn vergroeid en komen in de 7de maand los van elkaar;
  • rond de 4de maand is het geslacht van het kind echoscopisch zichtbaar;
  • rond de 18 weken kan de moeder bewegingen van de foetus voelen;
  • vanaf de derde maand ontstaat een laagje donshaar over het hele lichaam (lanugo), dit valt vóór de geboorte uit;
  • vanaf de 5de maand drinkt het kind vruchtwater;
  • vanaf de 6de maand scheiden huidklieren talg uit;
  • vanaf de 8ste maand kan de foetus de geboorteligging aannemen:
    • hoofdligging (in 96% van de gevallen): de foetus ligt met het hoofd naar beneden;
    • stuitligging (3,5%): de foetus ligt met het hoofd naar boven;
    • dwarsligging (0,5%) de foetus ligt horizontaal.

16.4 Aanleg, groei en ontwikkeling van de orgaanstelsels

Circulatiestelsel

Het circulatiestelsel ontwikkelt zich uit het mesoderm. In de 12de week zijn de placenta en de navelstrengvaten aangelegd.

De placenta:

  • bestaat uit chorionvlokken met een uitgebreid bloedvatennetwerk; hier omheen stroomt moederlijk bloed, afkomstig uit spiraalarteriën die vanuit het endometrium tussen de vlokken in zijn gegroeid;
  • is in volgroeide toestand verdeeld in 15−20 lobben, elk met een aftakkingen van de navelstrengader en -slagader;
  • weegt in volgroeide toestand ongeveer 600 gram.

De navelstreng:

  • is 60 cm lang;
  • bevat één navelstrengader (v. umbilicalis) die bloed vanaf de placenta naar de foetus vervoert, dit bloed bevat zuurstof en voedingsstoffen;
  • bevat twee navelstrengslagaders (arteriae umbilicales) die bloed vanaf de foetus naar de placenta vervoeren, dit bevat koolstofdioxide en afvalstoffen.

Na de aanleg van de navelstrengvaten ontwikkelen zich vrij snel het hart en de overige bloedvaten.

Het foetale circulatiestelsel kenmerkt zich door:

  • het foramen ovale, een opening tussen rechter- en linkerkamer;
  • de ductus venosus, een directe verbinding tussen de navelstrengader en de onderste holle ader, via welke bloed rechtstreeks naar de rechterboezem stroomt;
  • de ductus arteriosus, een verbinding tussen de longslagader en de aorta;
  • een bloedcirculatie die vanuit de rechter harthelft via het foramen ovale en de ductus arteriosus in de grote circulatie wordt gepompt (de longen werken immers nog niet).

Na de geboorte sluiten het foramen ovale en de ductus arteriosus zich en worden de kleine en grote circulatie van elkaar gescheiden.

 

Spijsverteringsstelsel

Het spijsverteringsstelsel ontwikkelt zich uit het entoderm. De oerdarm bestaat uit een voordarm, een middendarm en een einddarm.

  • De slokdarm, de maag, de lever, de galblaas en de twaalfvingerige darm ontwikkelen zich uit de voordarm.
  • De dunne darm en de helft van de dikke darm ontwikkelen zich uit de middendarm.
  • De overige delen van de dikke darm ontwikkelen zich uit de einddarm.

Gelijktijdig met de ontwikkeling en groei van de darmen groeit het peritoneum rondom de buikorganen.

 

Urinewegstelsel

Het urinewegstelsel ontwikkelt zich uit het mesoderm.

De aanleg gebeurt in drie stadia:

  • Rond de 3de week wordt per segment een voornier aangelegd.
  • Deze wordt binnen enkele weken opgevolgd door de oernier, caudaal van de voornier (die verdwijnt). Tegelijkertijd ontstaat de gang van Woff, in dit stadium oerniergang genoemd.
  • Rond de 6de week verdwijnt de oernier en ontstaan de definitieve nieren en ureters. Bij het vrouwelijke embryo verdwijnt de gang van Wolff; bij het mannelijke embryo ontwikkelt deze zich tot zaadleider.

Ademhalingsstelsel

 

Het ademhalingsstelsel ontwikkelt zich uit het entoderm. In de 4de week zijn 6 kieuwbogen ontstaan; uit de vierde en de zesde kieuwboog ontwikkelen zich de keelholte en het strottenhoofd. De aanleg van luchtpijp en longen gebeurt vanuit uitstulpingen van de oerdarm, de longknoppen. Ze groeien en vertakken steeds meer, tot rond het begin van de 7de maand ook de longblaasjes verschijnen. Tegelijk met het zich ontwikkelende longweefsel groeien de bijbehorende bloedvaten en de longvliezen mee.

 

Huid

De huid ontwikkelt zich uit het ectoderm. Aan het begin van de 5de maand is de opperhuid met zijn lagen aangelegd. De talgkliertjes zijn al actief en vormen een vettige huidsmeer die de huid beschermt tegen de verwekende invloed van het vruchtwater.

 

Hormonale stelsel

Het hormonale stelsel ontwikkelt zich deels uit het entoderm, deels uit het mesoderm en deels uit het ectoderm.

Zo zijn de hypofyse, de epifyse en het bijniermerg afkomstig uit het ectoderm en de bijnierschors is van mesodermale oorsprong. De schildklier, de bijschildklieren en de eilandjes van Langerhans worden gevormd uit het entoderm.

 

Zenuwstelsel

Het zenuwstelsel ontwikkelt zich uit het ectoderm. Rond de 3de week ontstaat de neurale buis, waaruit aan de craniale kant blaasjes groeien. Dat zijn de toekomstige hersenen. Uit het voorste hersenblaasjes groeien ontwikkelen aan weerszijden de oogblaasjes, de toekomstige ogen. De hersenzenuwen en de ruggenmergzenuwen groeien uit de hersenstam respectievelijk het ruggenmerg.

 

Sensorisch stelsel

Het sensorische stelsel ontwikkelt zich grotendeels uit het ectoderm. De ontwikkeling van de zintuigen loopt meestal gelijk op met de weefsels en organen waar ze bij horen. Zo ontstaan de huidzintuigen tegelijk met de huid en de zintuigen van het hoofd tegelijk met het gezicht.

De tastzin functioneert al rond de 8ste week en is halverwege de zwangerschap over het hele lichaam werkzaam. De aanleg van het oor begint in de 8ste week. De gehoorbeentjes ontwikkelen zich uit de eerste en tweede kieuwboog (mesodermaal). Rond de 20ste week is het gehoororgaan volkomen ontwikkeld. De ogen functioneren vermoedelijk rond de 30ste week. Een foetus van ruim zes maanden heeft ook smaak- en reukzin.

 

Motorisch stelsel

Het motorisch stelsel ontwikkelt zich uit het mesoderm. In de 1ste maand na de bevruchting begint de ontwikkeling van het skelet. De schedelbeenderen verbenen direct uit bindweefsel; de meeste andere botten ontwikkelen uit kraakbenige voorstadia. De skeletspieren ontwikkelen zich uit de myotomen. De vorming van de zenuwen loopt parallel aan die van de spieren die ze innerveren.

 

Voortplantingsstelsel

Het voorplantingsstelsel ontwikkelt zich uit het mesoderm. Na ongeveer 4 weken ontstaan de stamcellen van de geslachtstscellen, in de toekomstige geslachtsklieren. Tot ongeveer de 7de week is er geen verschil tussen jongetjes en meisjes. Daarna treedt differentiatie op. Bij meisjes ontwikkelen zich de eierstokken, de eileiders, de baarmoeder en de vagina. Bij jongetjes ontstaan de zaadballen die rond de 3de maand naar het lieskanaal afzakken. In de 7de maand dalen ze af door het lieskanaal naar het scrotum.