14. Motorisch stelsel

 

14.1 Skelet

 

De algemene functies van het skelet zijn:

  • ondersteuning van het lichaam;
  • aanhechting van de skeletspieren;
  • beweging van de botten door middel van botverbindingen;
  • bescherming van kwetsbare organen in de romp;
  • vorming van bloedcellen in het rode beenmerg;
  • opslag van kalkzouten.

Botweefsel bestaat uit botcellen omgeven door een harde matrix. De matrix bestaat voor ongeveer 2/3 uit kalkzouten en voor1/3 uit collagene vezels.

De delen van een bot zijn van buiten naar binnen:

  • beenvlies (periost), bestaat uit een dunne laag straf bindweefsel en bevat veel sensibele zenuwen en bloedvaten;
  • hard botweefsel (substantia compacta), gestructureerd in botbuizen waarin zich centraal het haverskanaal met bloed- en lymfevaten bevindt;
  • sponsachtig botweefsel (substantia spongiosa) , gestructureerd in beenbalkjes rondom holtes die rood beenmerg bevatten.

Botweefsel heeft een hoge stofwisseling omdat continu botafbraak en botopbouw plaatsvinden. Osteoclasten zijn grote bindweefselcellen die botweefsel afbreken.

Osteoblasten zijn bindweefselcellen die botweefsel opbouwen; ze differentiëren tijdens dit proces tot beencellen (osteocyten).

Het skelet bestaat uit ruim 200 botten (ossa) die op grond van de vorm worden verdeeld in pijpbeenderen, platte beenderen, korte beenderen en onregelmatige beenderen.

Pijpbeenderen:

  • zijn slank en pijpvormig;
  • bestaan uit een smal middendeel (diafyse) en twee brede uiteinden (epifysen):
    • de diafyse bestaat uit een laag compact been met daarbinnen de mergholte, grotendeels gevuld met geel beenmerg;
    • de epifyse bestaat uit sponsachtig been, tussen epifyse en diafyse bevindt zich de epifysaire schijf (groeischijf); bij volwassenen is deze verbeend, bij kinderen in de groei is deze van kraakbeen.
  • komen alleen in de ledematen voor;
  • bieden veel steun aan het lichaam;
  • hebben vanwege hun lengte vaak een hefboomwerking.

Ons lichaam heeft de volgende pijpbeenderen:

  • opperarmbeen, ellepijp, spaakbeen, middenhandsbeentjes, vingerkootjes, dijbeen, scheenbeen, kuitbeen, middenvoetsbeentjes en teenkootjes.

Platte beenderen:

  • zijn breed, vrij lang en altijd plat;
  • bestaan hoofdzakelijk uit compact been, met daartussen een dun laagje sponsachtig been;
  • zijn vanwege hun grote oppervlak zijn platte beenderen zeer geschikt voor de aanhechting van spieren;
  • beschermen op sommige plaatsen inwendige organen.

Ons lichaam heeft de volgende platte beenderen:

  • schedelbeenderen, schouderbladen, heupbeenderen, ribben en borstbeen.

Korte beenderen:

  • zijn klein en meestal even lang als breed;
  • hebben een dunne laag compact been met binnenin sponsachtig been;
  • kunnen vanwege hun massieve vorm de krachten verdelen die ontstaan bij mechanische belasting.

Ons lichaam heeft de volgende korte beenderen:

  • handwortelbeentjes, voetwortelbeentjes en knieschijven.

Onregelmatige beenderen:

  • kunnen uiteenlopende vormen en functies hebben;
  • hebben veelal een dunne laag compact been en zijn gevuld met sponsachtig been.

Ons lichaam heeft de volgende onregelmatige beenderen:

  • schedelbasisbeenderen, bovenkaak, onderkaak, gebitselementen, wervels en tongbeen.

 

14.2 Botverbindingen

 

Botverbindingen (junctura) verbinden twee botten met elkaar. Er zijn drie groepen botverbindingen: bindweefselverbindingen, kraakbeenverbindingen en gewrichten.

Een bindweefselverbinding (junctura fibrosa):

  • bestaat uit collagene en elastische vezels;
  • maakt beweging tussen beide botten vrijwel niet mogelijk;
  • zorgt voor stevigheid en stabiliteit.

Voorbeelden: naden (suturae) tussen de schedelbeenderen, membrana interossea tussen ellepijp en spaakbeen.

Een kraakbeenverbinding (junctura cartilaginea):

  • bestaat uit hyalien of vezelig kraakbeen;
  • in geval van hyalien kraakbeen is de verbinding vervormbaar en beperkt beweeglijk; voorbeeld: kraakbeenverbindingen tussen de ribben en het borstbeen;
  • in geval van vezelig kraakbeen is de verbinding drukvast en nauwelijks beweeglijk; voorbeelden: symfyse en tussenwervelschijven.

Een gewricht (articulatio of junctura synovialis):

  • maakt een grote beweeglijkheid tussen de botten mogelijk;
  • bestaat uit twee gewrichtsvlakken (kop en kom): de botuiteinden die op of in elkaar passen en die bedekt zijn met glad hyalien kraakbeen;
  • heeft een gewrichtsholte (cavitas articularis): de ruimte tussen kop en kom, die gevuld is met gewrichtssmeer (synovia);
  • wordt omgeven door het gewrichtskapsel (capsula articularis):
    • is aan beide botten vastgehecht en houdt de botuiteinden bij elkaar;
    • zorgt voor een vacuüm in de gewrichtsholte;
    • bevat gewrichtssensoren;
    • heeft een binnenste laag, de membrana synovialis, een dun elastisch vlies met zenuwen en bloedvaten; produceert synovia;
    • heeft een buitenste laag, de membrana fibrosa, een dik taai vlies van straf bindweefsel dat het kapsel stevig maakt; vaak verstevigd met ligamenten.

Bijzondere structuren in of bij een gewricht:

  • de kraakbeenschijf (discus articularis):
    • zit in het gewricht;
    • ondersteunt de functie van het gewricht.
  • de slijmbeurs (bursa synavialis):
    • ligt vlakbij een gewricht;
    • is een zakje gevuld met synovia dat de wrijving tussen de bewegende botten en de weke delen eromheen vermindert;
    • staat in verbinding staat met de gewrichtsholte.

De gewrichten zijn als volgt ingedeeld:

  • kogelgewricht, met een diepe kom en een bolle kop:
    • maakt bewegingen rond de verticale, sagittale en transversale as mogelijk;
    • voorbeeld: heupgewricht;
  • ellipsvormig gewricht, met ellipsvormige kom en kop;
    • maakt bewegingen rond de sagittale en transversale as mogelijk;
    • voorbeeld: polsgewricht;
  • zadelgewricht met brede en zadelvormige kom en kop:
    • bewegingen rond twee loodrecht op elkaar staande assen;
    • voorbeeld: gewricht handwortelbeen en middenhandsbeen van de duim;
  • scharniergewricht, langwerpig als een scharnier:
    • maakt bewegingen rond de transversale as mogelijk;
    • voorbeeld: ellebooggewricht;
  • rolgewricht, de kop heeft de vorm van een ronde schijf:
    • beide botten rollen in hun lengteas ten opzichte van elkaar;
    • voorbeeld: het gewricht tussen ellepijp en spaakbeen;
  • vlak gewricht met een vlakke kom en kop:
    • beperkte schuifbewegingen;
    • voorbeeld: gewricht tussen de handwortelbeentjes;
  • straf gewricht waarin kop en kom in één stand op elkaar zitten:
    • bewegingen zijn beperkt mogelijk;
    • voorbeeld: het SI-gewricht.

 

14.3 Botten en botverbindingen van het hoofd

 

Het hoofd wordt gevormd door de botten van de schedel.

De functies van de schedel (cranium) zijn:

  • bescherming van de hersenen;
  • bescherming van het reuk-, gezichts- en gehoorzintuig en het evenwichtsorgaan;
  • aanhechting van de aangezichtsspieren;
  • vormt de toegang het maagdarmkanaal en de luchtwegen.

We onderscheiden de hersenschedel en de aangezichtsschedel.

De botten van de hersenschedel (cranium cerebrale) zijn:

  • voorhoofdsbeen (os frontale), vormt het voorste deel van het schedeldak en het dak van de oogkassen; bevat links en rechts de voorhoofdsholte;
  • 2x wandbeen (os parietale), vormt het grootste deel van het schedeldak en de zijkant van de hersenschedel;
  • 2x slaapbeen (os temporale), onder het wandbeen en vormt een deel van de schedelbasis:
    • bevat de uitwendige gehoorgang;
    • vormt de ondiepe kom van het kaakgewricht (de kop is het uiteinde van de onderkaak);
    • sluit met de jukboog (arcus zygomaticus) aan het jukbeen van de aangezichtsschedel;
    • heeft een uitsteeksel achter het oor, het mastoïd;
    • heeft een apart benoemd deel, het rotsbeen (os petroseum), met daarin het benige labyrint;
  • achterhoofdsbeen (os occipitale), vormt de achterkant van het schedeldak en een groot deel van de schedelbasis:
    • bevat het achterhoofdsgat (foramen magnum);
    • links en rechts zitten de achterhoofdsknobbels die met de atlas (eerste halswervel) een gewricht vormen dat ja-knikken mogelijk maakt;
  • etmoïd (os ethmoidale), vormt de voorkant van de schedelbasis en heeft een complex verloop:
    • bevat een aantal kleine openingen voor de reukharen van het reukzintuig;
    • heeft meerdere benige platen die het neustussenschot, de neusschelpen en de zijwanden van de neusholte vormen;
    • bevat de sinus ethmoidalis, een bijholte;
  • sfenoïd (os sphenoidale), midden in de schedelbasis:
    • heeft de vorm van een vlinder;
    • bevat een uitholling, het Turkse zadel (hierin ligt de hypofyse);
    • bevat de sinus sphenoidalis, een bijholte.

De botten van de aangezichtsschedel (cranium visecerale) vormen begrenzingen van de oogkassen, de neusholte, de mondholte en de keelholte.

Tot de aangezichtsschedel behoren:

  • 2x neusbeen (os nasale), vlak onder het voorhoofdsbeen, de twee beentjes vormen het harde bovengedeelte van de neusrug;
  • 2x traanbeen (os lacrimale), aan de mediale kant van elke oogkas, bevat de verticale doorgang voor de traanbuis;
  • 2x jukbeen (os zygomaticum), de laterale wand van de oogkas, sluit aan op de jukboog van het slaapbeen;
  • vomer, vormt dat het dorsocaudale deel van het neustussenschot;
  • bovenkaak (maxilla), een groot botstuk:
    • bevat de gebitselementen van het bovengebit;
    • vormt het harde gehemelte;
    • vormt de bodem en mediale wand van de oogkas;
    • vormt een deel van de wand van de neusholte;
    • vormt de onderste neusschelpen;
    • bevat de kaakholte, links en rechts boven de kiezen;
  • onderkaak (manibula), het enige beweegbare botstuk van de schedel:
    • bevat de gebitselementen van het ondergebit;
    • loopt naar achteren uit in de gewrichtskop van het kaakgewricht (de ondiepe kom ligt in het slaapbeen).

 

14.4 Botten en botverbindingen van de romp

 

Het skelet van de romp bestaat uit de wervelkolom, de ribben en het borstbeen.

De wervelkolom vertoont krommingen die de stabiliteit en de buigzaamheid van de romp ondersteunen. Drie typen krommingen zijn:

  • lordose, een kromming met de bolle kant naar voren:
    • cervicale lordose in het halsgebied;
    • lumbale lordose in het lumbale gebied;
  • kyfose, een kromming met de bolle kant naar achteren:
    • thoracale kyfose, in het borstgebied;
    • sacrale kyfose, in het sacrale gebied;
  • functionele scoliose, kromming naar opzij als compensatie van zijwaartse bewegingen.

Een wervel (vertebra) bestaat uit een wervellichaam en een wervelboog.

Het wervellichaam (corpus vertebrae):

  • zit aan de ventrale kant;
  • is onder en boven vergroeid met de tussenwervelschijf (discus intervertebralis), een ringvormige kraakbeenschijf.

De wervelboog (arcus vetebrae):

  • zit aan de dorsale kant;
  • omsluit het wervelgat (foramen vertebrale), hierdoorheen loopt het ruggenmerg;
  • vormt met de onder en boven gelegen wervelboog links en rechts twee tussenwervelgaten, waar doorheen de ruggenmergszenuwen uittreden;
  • heeft meestal zeven uitsteeksels:
    • 1 doornuitsteeksel (processus spinosus), naar dorsaal gericht, voor aanhechting van spieren;
    • 2 dwarsuitsteeksels (processus transversi), naar lateraal gericht, voor aanhechting van spieren of ribben (bij de borstwervels);
    • 4 gewrichtsuitsteeksels (processus articulares), 2 naar boven, 2 naar beneden; vormen kleine gewrichten (facetgewrichten) met aangrenzende wervelbogen.

De wervelkolom bestaat uit 33 wervels, te weten:

  • 7 halswervels (vertebrae cervicales);
  • 12 borstwervels (vertebrae thoracales);
  • 5 lendenwervels (vertebrae lumbales);
  • 5 heiligbeenwervels (vertebrae sacrales), vergroeid tot heiligbeen (os sacrum);
  • 4 staartwervels (vertebrae coccygeae), vergroeid tot staartbeen (os coccygis).

Naar caudaal worden de wervels zwaarder en de beweeglijkheid van de wervelkolom minder groot.

De eerste halswervel (C1):

  • is ringvormig;
  • wordt atlas genoemd;
  • heeft geen wervellichaam en geen doornuitsteeksel;
  • vormt met de achterhoofdsknobbels een scharniergewricht (ja-knikken);
  • kan om de tand van de tweede halswervel draaien (nee-schudden).

De tweede halswervel (C2):

  • wordt draaier genoemd;
  • heeft een uitsteeksel naar boven, de tand, die in het wervelgat van de atlas steekt;
  • maakt samen met de atlas nee-schudden mogelijk.

Er zijn 12 paar ribben (costae). Het zijn platte, smalle en gebogen botten. Ze zitten dorsaal met gewrichten vast aan de dwarsuitsteeksels van de 12 borstwervels.

De bovenste 7 paar ribben:

  • heten ware ribben;
  • hebben elk een kraakbeenverbinding met het borstbeen.

De 3 paar ribben onder de ware ribben:

  • heten valse ribben;
  • zitten met een gemeenschappelijk kraakbeenstuk vast aan de onderste ware rib.

De onderste 2 paar ribben:

  • heten zwevende ribben;
  • eindigen vrij.

Het borstbeen (sternum) is een plat bot aan de voorkant van de borstkas (thorax). Het heeft de volgende delen (van boven naar beneden):

  • handvat (manubrium), hieraan zitten de sleutelbeenderen en de 2 paar bovenste ribben vast;
  • middenstuk (corpus sterni), hieraan zitten de overige ware ribben en de valse ribben vast;
  • zwaardvormig uitsteeksel (processus xiphoideus) , het puntvormige uiteinde.

 

14.5 Botten en botverbindingen van de extremiteiten

 

De bovenste extremiteiten bestaan uit de schoudergordel, de armen en de handen.

De schoudergordel is een halfopen ringstructuur van relatief dunne en lichte botten die ten dienste staan van de beweeglijkheid van de armen. De botten van de schoudergordel zijn: twee schouderbladen, twee sleutelbeenderen en het handvat van het borstbeen.

Het schouderblad (scapula):

  • is een plat, driehoekig botstuk;
  • ligt achter op de ribben maar zit er niet met een botverbinding aan vast;
  • heeft dorsaal een transversale beenplaat (spina scapulae) die lateraal eindigt in het acromion, een uitsteeksel die een gewricht vormt met het sleutelbeen;
  • heeft onder het acromion de gewrichtskom van het bovenarmgewricht.

Het sleutelbeen (clavicula):

  • is een dun, staafvormig botstuk met verdikte uiteinden;
  • ligt ventraal van de borstkas;
  • ligt tussen het acromion van het schouderblad en handvat van het borstbeen;
  • wordt vooral op zijn plaats gehouden door stevige gewrichtsbanden.

Het skelet van de arm bestaat uit het opperarmbeen, het spaakbeen en de ellepijp. Het zijn pijpbeenderen.

Het opperarmbeen (humerus):

  • ligt in de bovenarm;
  • is met een kogelgewricht aan de schouder verbonden;
  • vormt met het distale deel het ellebooggewricht met het spaakbeen.

Het spaakbeen (radius):

  • ligt in de onderarm;
  • vormt met het verbrede ellepijpshoofd (olecranon) het ellebooggewricht met het opperarmbeen;
  • vormt met de ellepijp een rolgewricht waardoor pronatie en supinatie van de hand mogelijk zijn.

De ellepijp (ulna):

  • ligt in de onderarm;
  • vormt bovenaan een rolgewricht met het spaakbeen;
  • heeft een breed en komvormig uiteinde dat samen met het spaakbeen de kom van het polsgewricht vormt.

Het skelet van de hand bestaat uit 8 handwortelbeenderen, 5 middenhandsbeenderen en 14 vingerkootjes.

De handwortelbeenderen (ossa carpi):

  • zijn korte beenderen;
  • zitten in twee rijen van 4; drie proximale handwortelbeenderen vormen de kop van het polsgewricht;
  • zijn met scharniergewrichten verbonden met de middenhandsbeenderen, behalve bij de duim, waar zich een zadelgewricht bevindt; dit gewricht maakt de duim opponeerbaar.

De middenhandsbeenderen (ossa metacarpi):

  • zijn pijpbeenderen;
  • zijn met scharniergewrichten met de vingerkootjes verbonden.

Vingerkootjes (ossa digitorum manus):

  • zijn pijpbeenderen;
  • zijn onderling met scharniergewrichten verbonden.

De onderste extremiteiten bestaan uit de bekkengordel (kortweg: bekken), de benen en de voeten. Het bekken (pelvis) is een gesloten ringstructuur die de darmen en de bekkenorganen beschermt en die het lichaam stabiliteit geeft. Het bestaat uit twee heupbeenderen, het heiligbeen en het staartbeen.

Het heupbeen (os coxae) bestaat uit drie vergroeide botten: het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen.

Het darmbeen (os ilium):

  • is een groot, schaalvormig en plat botstuk;
  • heeft een brede bovenrand, de bekkenkam (crista iliaca);
  • vormt met het heiligbeen een straf gewricht, het sacro-iliacaal gewricht (SI-gewricht) dat extra verstevigd is met veel dikke ligamenten.

Het zitbeen (os ischii):

  • is een staafvormig, vrij dik, gebogen botstuk:
  • heeft aan de onderkant een verbreding, de zitbeenknobbel (tuber ischiadicum)

Het schaambeen (os pubis):

  • vormt het ventrale deel van het bekken;
  • omsluit samen met het zitbeen een grote opening, het foramen obturatum;
  • sluit aan voorkant aan op de symfyse (symphysis pubica), een kraakbeenschijf.

Op de plaats waar deze drie vergroeide botstukken in het midden bijeen komen, zit het acetabulum, de gewrichtskom van het heupgewricht.

Het heiligbeen (os sacrum):

  • bestaat uit 5 vergroeide heiligbeenwervels;
  • is wigvormig;
  • zit tussen de twee heupbeenderen ingeklemd.

Het staartbeen (os coccygis):

  • bestaat uit 4 vergroeide wervels;
  • dient als aanhechtingsplaats voor de grote bilspier;
  • dient in zekere mate als schokdemper bij het gaan zitten.

Het bekken omsluit twee ruimtes. Dit zijn het grote bekken (pelvis major) met de darmen en het kleine bekken (pelvis minor) met de blaas, de geslachtsorganen en de endeldarm.

Het skelet van het been bestaat uit drie pijpbeenderen: het dijbeen, het scheenbeen en het kuitbeen. Ook de knieschijf maakt deel uit van het beenskelet.

Het dijbeen (femur):

  • ligt in het bovenbeen;
  • is het langste pijpbeen van het skelet;
  • vormt met de dijbeenkop en het acetabulum van het heupbeen het heupgewricht, een kogelgewricht;
  • heeft een relatief dun en kwetsbaar stuk tussen de dijbeenkop (caput femoris) en de dijbeenschacht: de dijbeenhals (collum femoris);
  • vormt in het kniegewricht twee gewrichtsvlakken, één met het scheenbeen en één met de knieschijf.

Het scheenbeen (tibia):

  • ligt in het onderbeen;
  • is over de hele lengte onder de huid voelbaar;
  • vormt bovenaan de kom van het kniegewricht;
  • vormt onderaan, samen het kuitbeen, het gewrichtsvlak van het bovenste spronggewricht, een scharniergewricht.

Het kuitbeen (fibula):

  • ligt in het onderbeen;
  • zit bovenaan met een vlak gewricht aan het scheenbeen vast;
  • vormt onderaan, samen het scheenbeen, het gewrichtsvlak van het bovenste spronggewricht.

De knieschijf (patella):

  • is een rond sesambeen (een verbeende pees);
  • maakt deel uit van het kniegewricht:
    • een scharniergewricht;
    • dijbeen, scheenbeen en knieschijf vormen de gewrichtsvlakken;
    • links en rechts van deze gewrichtsvlakken bevinden zich de menisci: kraakbeenschijven die het gewricht opvullen;
    • verstevigd met kniebanden, zowel aan de buitenkant als binnenin (kruisbanden).

De skelet van de voet bestaat uit 7 voetwortelbeenderen, 5 middenvoetsbeenderen en 14 teenkootjes.

De voetwortelbeenderen (ossa tarsi), korte beenderen, zijn onderling verbonden door vlakke gewrichten. Drie grote voetwortelbeenderen maken deel uit van het enkelgewricht dat bestaat uit:

  • het bovenste spronggewricht met gewrichtsvlakken van het sprongbeen (talus) enerzijds en die van het scheenbeen en kuitbeen anderzijds;
  • het onderste spronggewricht met gewrichtsvlakken van het sprongbeen enerzijds en die van het hielbeen (calcaneus) en os naviculare anderzijds.

De middenvoetsbeenderen (ossa metatarsi) en de teenkootjes (ossa digitorum pedis) zijn pijpbeenderen, sluiten met scharniergewrichten op elkaar aan en zijn onderling met scharniergewrichten verbonden.

 

14.6 Spieren

 

Het menselijk lichaam heeft ongeveer 700 dwarsgestreepte spieren. De meeste zitten aan het skelet vast. Daarom worden ze skeletspieren genoemd.

De algemene functies van skeletspieren zijn:

  • beweging van (delen van) het lichaam;
  • handhaving van de lichaamshouding;
  • bescherming en versteviging van bepaalde delen van het lichaam, in de vorm van een lichaamswand; bijvoorbeeld de buikwand;
  • het genereren van warmte door het hoge stofwisselingsniveau.

De skeletspier (musculus) bestaat uit de spierbuik in het midden, die naar beide uiteinden taps toeloopt en daar eindigt in een pees.

De delen van een spier zijn:

  • de spierfascie, een bindweefselmantel die de spierbuik omgeeft;
  • enkele tot vele spierbundels, elk omgeven door het perymisium, een bindweefselvlies;
  • spiervezels (myofibrillen), de functionele eenheden van de spierbundel:
    • zijn omgeven door een dunne bindweefselmantel, het endomysium;
    • zijn veelkernige, langwerpige cellen, ontstaan door versmelting van honderden kleinere cellen;
    • hebben de lengte van de spier waar ze deel van uitmaken (tot 60 cm);
    • brengen de contracties (samentrekkingen) van de spier tot stand en heten daarom ook wel contractiele elementen;
    • bevatten de draadvormige eiwitten actine en myosine, die verkorting van de spiervezel tot stand brengen door in elkaar te schuiven.

De bindweefselvliezen rond spierbundels en spiervezels komen aan beide kanten van de spierbuik samen en vormen de twee pezen.

De functies van de pees zijn:

  • stevige verankering van de spier aan het bot:
    • de ene aanhechtingsplaats heet origo;
    • de andere aanhechtingsplaats heet insertie;
  • het overdragen van de spierkracht op het bot.

Spiercontracties komen door motorische impulsen tot stand. Een motorische axon heeft honderden tot duizenden eindvertakkingen, elk een ‘eigen’ spiervezel aansturend. De motorische zenuwcel met alle spiervezels die hij bestuurt, heet de motorische eenheid ( motor unit). In de meeste spieren zijn altijd enkele motorische eenheden actief, zonder dat dit leidt tot contractie. Ze zorgen voor de spiertonus, een zekere mate van trekspanning, noodzakelijk voor de lichaamshouding en het evenwicht.

Spieratrofie is het dunner en zwakker worden van een spier doordat de spiermassa afneemt. Dit treedt op als een spier langere tijd niet gebruikt wordt.

Spierhypertrofie is het dikker en sterker worden van een spier doordat de spiermassa toeneemt. Dit treedt op als een spier extra getraind wordt.

Een spier heeft snelle en langzame spiervezels.

Snelle spiervezels:

  • trekken na prikkeling binnen minder dan 0,01 seconde krachtig samen;
  • verbruiken in korte tijd hun ATP waardoor ze relatief snel zijn uitgeput;
  • zijn minder sterk doorbloed als langzame spiervezels.

Langzame spiervezels:

  • trekken ongeveer drie keer zo langzaam samen als snelle spiervezels;
  • kunnen een contractie langer volhouden dan snelle spiervezels;
  • raken minder snel uitgeput dan snelle spiervezels;
  • zijn rijker doorbloed dan snelle spiervezels.

Spieren die zorgen voor de houding van het lichaam, zoals de rugspieren, bevatten in verhouding veel langzame spieren. Bewegingsspieren, zoals de bovenarmspieren, hebben veel snelle spiervezels.

Spierantagonisme is het verschijnsel dat bij elke beweging twee elkaar tegenwerkende spieren betrokken zijn. Bijvoorbeeld: de buigspier en de strekspier van je arm: als de buigspier samentrekt, ontspant de bijbehorende antagonist (en andersom). Het spierantagonisme maakt nauwkeurige spieracties en precieze bewegingen mogelijk.

Spieren die elkaar bij contractie versterken noem je synergisten. Voorbeelden zijn de strekspieren van het bovenbeen die samen de knie laten strekken.

Bij de bespreking van de basale functie van spieren gaan we uit van de situatie dat de origo op zijn plaats blijft en de insertie naar de origo toe beweegt.

Op basis van het effect van de contractie onderscheiden we statische en dynamische contracties.

Bij statische ofwel isometrische contracties:

  • blijft de lengte van de spier gelijk, dus de afstand tussen origo en insertie verandert niet;
  • wordt de spier dikker;
  • is de trekkracht van de spier nooit groter dan de tegenwerkende krachten die de spier ondervindt van bijvoorbeeld een antagonist of de zwaartekracht.

Bij dynamische ofwel isotonische contracties:

  • verandert de spier van lengte;
  • is er een constante trekspanning waardoor de trekkracht in de spier toeneemt;
  • veroorzaakt de spierkracht een beweging:
    • concentrische contractie: de spier wordt korter, de afstand tussen origo en insertie wordt kleiner; de spierkracht is groter dan de tegenwerkende krachten;
    • excentrische contractie: de spier wordt langer, de afstand tussen origo en insertie wordt groter; de tegenwerkende krachten zijn groter dan de spierkracht.

 

Het hoofd

 

Spieren van het hoofd zijn: de mimische spieren, de kauwspieren, de tongspieren en de oogspieren.

De ongeveer 30 mimische spieren:

  • brengen de gelaatsuitdrukkingen tot stand;
  • zitten aan de schedel vast en eindigen in de lederhuid.

De kauwspieren:

  • bewegen de onderkaak ten opzichte van de rest van de schedel;
  • bestaan uit: de kauwspier (m. masseter), de slaapspier (m. temporalis) en de wangspier (m. buccinator).

De tongspieren:

  • vormen de tong die actief is bij kauwen, slikken en praten;
  • zitten vast aan het tongbeen.

De zes oogspieren (musculi bulbi):

  • zitten vast aan de oogbol;
  • laten het oog bewegen;
  • bestaan uit: 4 rechte oogspieren en 2 schuine oogspieren.

 

De hals

 

De spieren in het halsgebied zijn: de rugstrekker, de monnikskapspier, de schuine halsspier en de spierteugels van het tongbeen.

De rugstrekker (m. erector spinae):

  • loopt links en rechts parallel aan de wervelkolom, vanaf het bekken tot aan het achterhoofdsbeen;
  • houdt het hoofd rechtop en laat het hoofd bewegen.

De monnikskapspier (m. trapezius):

  • ligt tussen het acromion van de schouderbladen enerzijds en de halswervels en het achterhoofdsbeen anderzijds;
  • maakt draaiingen van het hoofd en optrekken van de schouders mogelijk.

De schuine halsspier (m. sternocleidomastoideus):

  • hecht aan bij het mastoïd, loopt naar beneden en splitst in twee delen:
    • één deel zit aan het sleutelbeen vast;
    • het andere deel zit aan het borstbeen vast;
  • maakt buiging van de nek en draaiing van het hoofd mogelijk.

De spierteugels van het tongbeen:

  • bestaan uit drie groepen;
  • houden het tongbeen op zijn plaats;
  • maken bewegingen van het tongbeen, de tong, onderkaak, mondbodem en het strottenhoofd mogelijk.

 

De romp

 

De spieren van de romp zijn: de rugspieren, de borstwandspieren, de middenrifspier, de buikwandspieren en de bekkenbodemspieren.

Tot de rugspieren behoren:

  • de monnikskapspier (m. trapezius):
    • ligt het meest oppervlakkig op de dorsale rompwand;
    • is enerzijds aangehecht aan het hoofd en de hals- en borstwervels en anderzijds aan het schouderblad;
    • maakt bewegingen van de schoudergordel mogelijk;
    • wordt daarom ook tot de extremiteitsspieren gerekend;
    • de brede rugspier (m. latissimus dorsi):
      • ligt op de rugstrekker en deels onder de monnikskapspier
      • zit enerzijds aan de wervelkolom (Th7 - L5) vast en anderzijds aan de bovenkant van de bovenarm;
      • maakt endorotatie en retroflexie van de bovenarm mogelijk;
      • wordt daarom ook tot de extremiteitsspieren gerekend;
  • de rugstrekker (m. erector spinae):
    • is de diepst gelegen rugspier;
    • loopt dorsaal aan weerszijden van de wervelkolom vanaf het bekken tot het achterhoofd;
    • bestaat uit vele kleine en grotere spierbundels, vastgehecht aan de ribben en de wervels;
    • trekt de voorovergebogen wervelkolom rechtop, buigt hem verder naar achteren (holle rug) en roteert de wervelkolom.

Tot de borstwandspieren behoren:

  • de grote borstspier (m. pectoralis major), het meest oppervlakkig gelegen:
    • ligt tussen het borstbeen en de bovenarm;
    • maakt adductie en endorotatie van de bovenarm mogelijk;
    • wordt daarom ook tot de extremiteitsspieren gerekend;
  • de kleine borstspier (m. pectoralis minor), op de rompwand onder de grote borstspier:
    • loopt vanaf de top van het schouderblad tot aan de ribben;
    • trekt de ribben omhoog bij extra diep inademen (hulpademhalingsspier);
    • kantelt het schouderblad naar voren;
    • wordt daarom ook tot de extremiteitsspieren gerekend;
    • de tussenribspieren (musculi intercostales); lopen van de onderkant van de ene rib naar de bovenkant van de volgende:
      • de buitenste tussenribspieren (musculi intercostales externi) heffen de ribben op waardoor het volume van de borstkas groter wordt en inademing plaatsvindt;
      • de binnenste tussenribspieren (musculi intercostales interni)versterken de ribdaling bij geforceerde uitademing.

De middenrifspier:

  • waaiert naar buiten toe uit vanaf de centrale peesplaat van het middenrif;
  • zit vast aan omringende skeletdelen: borstbeen, ribbenboog, zwevende ribben en een aantal wervellichamen;
  • trekt het middenrif naar beneden, waardoor het volume van de borstkas groter wordt en inademing plaatsvindt;
  • heeft twee openingen: één voor de aorta en één voor de slokdarm.

De buikwandspieren vormen een stevige wand tussen de borstholte en het bekken en ze beschermen de buikorganen. Tot de borstwandspieren behoren:

  • de rechte buikspier (m. rectus abdominis):
    • loopt verticaal links en rechts van de navel vanaf de borstkas naar het schaambeen;
    • is drie- of viermaal onderbroken door een horizontale pezige bindweefselstrook;
    • wordt bedekt door de rectusschede (vagina musculi recti abdominis), een pezige bindweefselschede, de aanhechtingsplaats voor de andere buikwandspieren;
    • is de antagonist van de rugstrekker;
    • trekt de wervelkolom van achterovergebogen naar voren en buigt hem voorover;
  • de dwarse buikspier (m. transversus abdominis):
    • ligt links en rechts lateraal van de rechte buikspier;
    • vormt lateraal de diepste spierlaag;
    • begint bij de rectusschede en eindigt bij de bekkenkam;
    • wordt aangespannen bij de buikpers (urinelozing, defecatie, geforceerde uitademing, baring);
    • de binnenste schuine buikspier (m. obliquus internus abdominis):
      • ligt links en rechts lateraal van de rechte buikspier;
      • vormt lateraal de middelste spierlaag;
      • begint bij de bekkenkam en eindigt bij de ribbenboog en de rectusschede;
      •  draait de romp zijwaarts en doet hem tegelijkertijd voorover buigen;
      • werkt synergistisch met de buitenste schuine buikspier aan dezelfde kant;
      • speelt een rol bij de buikpers;
      • de buitenste schuine buikspier (m. obliquus externus abdominis):
        • ligt links en rechts lateraal van de rechts buikspier;
        • vormt lateraal de meest oppervlakkige spierlaag;
        • loopt van de ribbenboog tot de rectusschede;
        • draait de romp zijwaarts en doet hem tegelijkertijd voorover buigen;
        • werkt synergistisch met de binnenste schuine buikspier aan dezelfde kant;
        • speelt een rol bij de buikpers.

    Een aantal bekkenbodemspieren vormt de bekkenbodem (diafragma pelvis). De spieren zijn aan de binnenranden van het kleine bekken aangehecht. De bekkenbodem heeft een doorgang de endeldarm, voor de urinebuis en bij de vrouw voor de vagina.

    Een belangrijke bekkenbodemspier is de anusheffer.

    De anusheffer (m. levator ani):

    • is een belangrijke bekkenbodemspier;
    • vormt een ondersteuning van de organen in het kleine bekken;
    • spant de bekkenbodem aan;
    • beweegt de anus.

    De bovenste extremiteiten

    De spieren van de bovenste extremiteit zijn slank en lang. Op grond van de bewegingen die ze mogelijk maken worden ze in vijf groepen verdeeld.

    Spieren die de schoudergordel ten opzichte van de romp bewegen:

  • kleine borstspier (m. pectoralis minor):
    • loopt vanaf de top het schouderblad tot aan de ribben;
    • kantelt het schouderblad naar voren;
    • trekt de ribben omhoog bij extra diep inademen (hulpademhalingsspier);
    • wordt daarom ook tot de borstspieren gerekend;
  • de monnikskapspier (m. trapezius):
    • ligt het meest oppervlakkig op de dorsale rompwand;
    • is enerzijds aangehecht aan het hoofd en de hals- en borstwervels en anderzijds aan het schouderblad;
    • trekt het schouderblad omhoog en omlaag;
    • wordt ook tot de rugspieren gerekend;

Spieren die de bovenarm ten opzichte van de romp bewegen:

  • de grote borstspier (m. pectoralis major):
    • ligt op de kleine borstspier;
    • ligt tussen het borstbeen en de bovenarm;
    • doet de bovenarm bewegen (adductie en endorotatie);
    • wordt ook tot de extremiteitsspieren gerekend;
  • de brede rugspier (m. latissimus dorsi):
    • ligt op de rugstrekker en deels onder de monnikskapspier;
    • loopt van de wervelkolom (Th7 - L5) naar de bovenkant van de bovenarm;
    • beweegt te bovenarm (endorotatie en naar achteren trekken);
    • wordt ook tot de rugspieren gerekend;
  • de deltaspier (m. deltoideus):
    • is enerzijds aan de bovenarm en anderzijds aan het schouderblad en het sleutelbeen vastgehecht;
    • maakt veel bewegingen van de bovenarm mogelijk (exo- en endorotatie, ab- en adductie en voor en achterwaarts opheffen).

Spieren die de onderarm ten opzichte van de bovenarm bewegen:

  • de tweehoofdige bovenarmspier (m. biceps brachii):
    • beter bekend als biceps;
    • ligt aan de ventrale kant van de bovenarm;
    • loopt van het schouderblad naar de bovenkant van de ellepijp;
    • buigt en supineert de onderarm;
  • de driehoofdige bovenarmspier (m. triceps brachii):
    • beter bekend als triceps;
    • ligt aan de dorsale kant van de bovenarm;
    • loopt vanaf de bovenkant van de schouder tot aan het olecranon;
    • strekt de onderarm.

Spieren die de hand en vingers ten opzichte van de onderarm bewegen zijn lang en slank. Hun spierbuiken liggen in de onderarm. Ze zitten enerzijds vast aan het spaakbeen, de ellepijp en het membrana interossea en anderzijds met lange pezen aan de vingerkootjes.

  • Twee groepen dorsaalflexoren:
    • liggen aan de dorsale kant van de onderarm;
    • maken bewegingen en dorsale flexie van de hand en de vingers mogelijk.
  • Twee groepen palmairflexoren:
    • liggen aan de ventrale kant van de onderarm;
    • maken bewegingen en palmaire flexie van de hand en vingers mogelijk.

Een tiental spieren in de hand maken vingerbewegingen mogelijk: het spreiden en sluiten van de vingers, het buigen en strekken van de vingers en het opponeren en reponeren van de duim.

 

De onderste extremiteiten

 

De spieren van de onderste extremiteit zijn lang en fors. Op grond van de bewegingen die ze mogelijk maken worden ze in vier groepen verdeeld.

Spieren die het bovenbeen ten opzichte van de romp bewegen:

  • de grote bilspier (m. gluteus maximus):
    • ligt aan de achterkant van het bekken;
    • is enerzijds aangehecht aan het darmbeen, het heiligbeen en het startbeen en anderzijds aan het dijbeen;
    • maakt strekken, achterwaarts zwaaien, exorotatie en endorotatie van het bovenbeen mogelijk;
  • de heup-lendenspier (m. iliopsoas):
    • is enerzijds vastgehecht aan het darmbeen en de lumbale wervels en anderzijds aan de bovenkant van het bovenbeen;
    • maakt buigen, voorwaarts zwaaien, endorotatie en adductie van het bovenbeen mogelijk.

Nog ruim tien andere spieren maken bewegingen van het bovenbeen mogelijk:

  • abductoren (beweging van het lichaam af), lopen van het darmbeen naar de laterale kant van het bovenbeen;
  • adductoren (beweging naar het lichaam toe), lopen vanaf het schaambeen naar de mediale kant van het bovenbeen.

Spieren die het onderbeen ten opzichte van het bovenbeen bewegen:

  • de vierhoofdige dijspier (m. quadriceps femoris):
    • beter bekend als quadriceps;
    • bestaat uit vier forse spierbuiken;
    • ligt aan de voorkant van het dijbeen;
    • loopt van de bovenkant van het dijbeen tot aan de bovenkant van het scheenbeen;
    • de pezen uit de vier spierbuiken vormen gezamenlijk de kniepees;
    • strekt het onderbeen;
  • de tweehoofdige dijspier (m. biceps femoris), de halfpeesachtige spier (m. semitendinosus) en de halfvliezige spier (m. semimembranosus):
    • zijn drie synergistische spieren;
    • zijn gezamenlijk ook bekend als de hamstrings;
    • lopen vanaf het bekken naar het scheenbeen;
    • buigen het onderbeen.

Spieren die de voet en tenen ten opzichte van het been bewegen hebben lange pezen, waarvan sommige aan de teenkootjes vastzitten:

  • de voorste scheenbeenspier (m. tibialis anterior):
    • ligt aan de voorkant van het onderbeen;
    • doet het bovenste spronggewricht draaien;
    • strekt de tenen en maakt dorsale flexie van de voet mogelijk;
  • de driehoofdige kuitspier (m. triceps surae):
    • ligt aan de achterkant van het onderbeen;
    • zit enerzijds vasthecht aan het dijbeen vlak boven de knie en anderzijds aan het hielbeen;
    • de pezen van deze spier vormen gezamenlijk de achillespees;
    • maakt plantaire flexie en buigen van de tenen mogelijk.

Een tiental spieren in de voet maken de overige bewegingen van de tenen mogelijk.