10. Huid

10.1 Functies van de huid

De functies van de huid zijn:

  • bescherming tegen mechanische krachten, chemische stoffen, binnendringen van ziekteverwekkende micro-organismen, ultraviolette straling en uitdroging;
  • warmteregulatie door meer of minder zweetproductie en meer of minder bloeddoorstroming;
  • uitscheiding van vocht (zweetklieren) en moedermelk (melkklieren);
  • waarneming door sensoren voor warmte, koude, pijn, trillingen, druk, harde en zachte oppervlakken;
  • aanmaak van vitamine D, nodig voor botstofwisseling en spierwerking.

10.2 Bouw van de huid

Opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel

De drie lagen van de huid zijn: opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel.

De opperhuid (epidermis) bestaat uit meerlagig plaveiselepitheel. De buitenste lagen slijten af. De lagen van de opperhuid zijn van binnen naar buiten:

  • basale laag (stratum basale), verankerd in de basaalmembraan, bevat melanocyten en bestaat uit huidstamcellen; nieuw gevormde huidcellen schuiven naar de oppervlakte toe;
  • stekelcellenlaag (stratum spinosum) met cellen die met ‘stekels’ onderling zijn verbonden en die meer of minder melanine bevatten;
  • korrellaag (stratum granulosum), een laag afgeplatte cellen met doorzichtige korrels, een voorstadium van hoornstof;
  • heldere laag (stratum lucidum), nog verder afgeplatte cellen die bezig zijn af te sterven;
  • hoornlaag (stratum corneum), met 15 - 20 lagen dode cellen vol keratine.

Basale laag en stekelcellenlaag worden samen kiemlaag (stratum germinativum) genoemd.

Eelt is een verdikking van de hoornlaag op plaatsen waar de huid regelmatig wrijving ondervindt.

Melanocyten:

  • bevinden zich in de basale laag van de opperhuid;
  • vormen het zwarte pigment melanine dat zich verplaatst naar de stekelcellenlaag;
  • bepalen iemands huids- en haarkleur;
  • worden door de ultraviolette straling in zonlicht gestimuleerd tot extra vorming van melanine.

De lederhuid (dermis) bestaat uit bindweefsel en bevat capillairnetwerken, lymfevaten, zenuwen, huidsensoren en een aantal ingezonken epidermale structuren. De lagen van de lederhuid zijn:

  • papillaire laag (stratum papillare), is met regelmatig gerangschikte dermale papillen in de opperhuid verankerd;
  • reticulaire laag (stratum reticulare), is rekbaar en veerkrachtig door veel collagene vezels die in een netvormig patroon zijn gerangschikt en de spijtrichting van de huid bepalen.

Het onderhuids bindweefsel (subcutis) zit met bindweefselvezels aan de lederhuid vast.

In het onderhuids bindweefsel vind je bloedvaten en lymfevaten, zenuwen, sensoren en op veel plaatsen vetweefsel.

Functies van het onderhuidse vetweefsel:

  • warmte-isolator;
  • reservevoorraad brandstof;
  • stootkussen, bijvoorbeeld in de voet- en handpalmen.

Bijzondere epidermale structuren

Bijzondere epidermale structuren zijn: haren, nagels, talgklieren, zweetklieren en borstklieren.

De delen en bijbehorend structuren van een haar zijn:

  • haarschacht, het zichtbare deel dat uit de huid steekt;
  • haarwortel, het onderhuidse deel dat tot in het onderhuids bindweefsel weggezonken kan zijn;
  • haarfollikel, zakvormig ingezonken opperhuid en lederhuid van waaruit de haar groeit;
  • haarbulbus, een verdikking rondom de basis van de haar waar mitose plaatsvindt en de haar langer wordt;
  • haarpapil, een holte in de haarbulbus met zenuwtakjes en een aantal capillairen;
  • talgklier, mondt uit in de haarfollikel en produceert talg dat de haar soepel en vet houdt;
  • haarspiertje (m. arrector pili), een glad spiertje dat schuin is ingeplant waardoor de haar bij aanspannen rechtop gaat staan.

Functies van haren:

  • warmteregulatie, door kippenvel komen de haren overeind en vormt zich een luchtlaag tussen de haren;
  • zintuiglijke waarneming, door de erg gevoelige zenuwtakjes aan de basis van de haren.

De delen van een nagel zijn:

  • nagelbed, onderliggende laag waar de nagel aan vast zit, bestaat uit kiemlaagcellen;
  • nagelwal, huidplooi aan de zijkanten van de nagel;
  • nagelriem, huidplooi aan de basis van de nagel;
  • nagelmatrix, basis van de nagel van waaruit de nagel groeit.

Functies van nagels:

  • bescherming van vinger- en teentoppen;
  • vergroting van het grijp- en tastvermogen van de vingers.

Een talgklier is een exocriene klier die of in een haarfollikel of direct aan het huidoppervlak uitmondt. Talg houdt huid en haren soepel en vet, gaat uitdroging van de huid tegen en heeft een antibacteriële werking.

Een zweetklier is een buisvormige exocriene klier die uitmondt aan het huidoppervlak. Het zweetproducerende gedeelte ligt in de lederhuid. Gladde spiertjes stuwen het zweet vanuit de diepte naar het huidoppervlak.

Functie van zweetklieren:

  • uitscheiding van water (99%), zouten, afvalstoffen en geurstoffen;
  • warmteregulatie, door verdamping van water wordt warmte aan het lichaam onttrokken.

Oorsmeerklieren in de gehoorgang zijn gespecialiseerde zweetklieren.

De borstklieren ontwikkelen zich bij vrouwen in de puberteit tot borsten (mammae). Een borst bestaat grotendeels uit bindweefsel en vetweefsel en voor een klein deel uit klierweefsel. Borsten ontwikkelen zich tijdens de zwangerschap tot melkklieren.

 

10.3 Bloedvoorziening van de huid

Lederhuid en onderhuids bindweefsel bevatten bloedvaten, de epidermis heeft geen bloedvaten.

Op drie niveaus bevinden zich vatennetwerken, deze zijn van binnen naar buiten:

  • fasciale vatennetwerk, een arterieel vatennetwerk tussen algemene fascie en onderhuids bindweefsel;
  • cutane vatennetwerk, een arterieel vatennetwerk tussen onderhuids bindweefsel en lederhuid;
  • subpapillaire vatennetwerk vlak onder de papillaire laag, bevat veel capillairen; het arteriële deel ligt wat dieper dan het veneuze deel (= subepitheliale venenplexus).

Arterioveneuze anastomosen vormen de onderlinge verbindingen tussen de arteriolen respectievelijk venen in de drie vatennetwerken. Vernauwing of verwijding van deze anastomosen bepalen de bloedtoevoer naar en van de drie vatennetwerken.

 

10.4 Temperatuurregulatie via de huid

De kerntemperatuur (binnenin het lichaam) is 37°C. De schiltemperatuur (aan de buitenkant van het lichaam) is gemiddeld 33°C. Meet je iemands lichaamstemperatuur (rectaal of in het oor) dan is dat de kerntemperatuur. Bij wisselende omgevingstemperatuur moet het lichaam de kerntemperatuur constant houden (homeostase).

Bij de celstofwisseling komt warmte vrij. De lever produceert veel warmte en heeft een gemiddelde temperatuur van 39°C. Het bloed verspreidt de warmte door het lichaam.

Vier mechanismen verhinderen dat het lichaam te warm wordt:

  • warmte-uitstraling, versterkt door bloedvatverwijding in de huid;
  • warmtegeleiding;
  • verdamping van zweet;
  • luchtstroming.

Mechanismen die verhinderen dat het lichaam teveel afkoelt, zijn:

  • minder warmte-uitstraling, door bloedvatvernauwing in de huid;
  • kippenvel en onwillekeurige spierbewegingen (rillen, klappertanden);
  • afsluiten van het cutane vatennetwerk;
  • vorming van meer schildklierhormoon, stimuleert de celstofwisseling;
  • verhoging van de bloedsuikerspiegel, waardoor meer brandstof voor de celademhaling beschikbaar komt.

Regulatie van de lichaamstemperatuur gebeurt vanuit verlengde merg en hypothalamus. Hier wordt verandering van de lichaamstemperatuur geregistreerd aan de hand van het langsstromende bloed en temperatuursensoren in de huid.