Van Waldeyerring tot Zygote

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

waldeyerring verzameling verspreid liggende concentraties lymfatisch weefsel in het overgangsgebied van keel-, neus- en mondholte (6.8.2)
wandcellen kliercellen in de crypten van de maagwand; produceren zoutzuur en intrinsic factor (7.2.5)
ware ribben 7 paar ribben die elk met een kraakbeenverbinding aan het borstbeen vastzitten (14.4.2)
ware stembanden spierplooien tussen stelkraakbeentjes en het schildkraakbeen; kunnen de stemspleet groter/kleiner maken of sluiten en produceren geluid doordat ze in trilling kunnen worden gebracht (9.1.4)
warmtebuffer stof die in staat is temperatuursveranderingen op te vangen, waardoor de temperatuur niet snel te hoog of te laag wordt; water in het lichaam is een warmtebuffer (4.1; 6.4.2; 7.1.6)
warmtegeleiding door direct contact met een kouder object stroomt warmte daar naar toe (10.4.2)
warmtesensoren thermosensoren die geprikkeld worden door temperatuursveranderingen boven de 35°C (13.4)
warmte-uitstraling warme afgeven aan de koudere omgeving (10.4.2)
wateroplosbare vitaminen vitaminen die opgelost in water via de darmwand in het bloed worden opgenomen; vitaminen B-complex, C (7.1.5)
waterstofcarbonaation een bufferende elektrolyt in het bloed (6.6.4)
weefsel verzameling cellen met dezelfde bouw en een gemeenschappelijke functie inclusief matrix (tussencelstof) (3)
weefselfactor stollingsfactor die vrijkomt uit beschadigd weefsel en die samen met de plaatjesfactor de stollingscascade op gang brengt (6.6.3)
weefselhormonen hormonen die niet door een hormoonklier, maar door individuele (klier)cellen in een weefsel of orgaan gevormd worden (11.10)
weefselvocht interstitiële vloeistof; extracellulaire vocht in de weefsels (3.2.4; 6.7.2)
weke delen alle structuren in het lichaam die zich rond het skelet en rond de organen in de lichaamsholten bevinden (4.6.1)
wernickecentrum functioneel gebied vlakbij de primaire auditieve schors, in een van de hemisferen; is betrokken bij het begrijpen van het gesproken en geschreven woord (12.5.3)
wervelkanaal holte die gevormd wordt door de achtereenvolgende wervelgaten van de wervelkolom; omvat het ruggenmerg (14.4.1)
windketelfunctie bij elke bloedgolf afwisselend uitrekken en terugveren van de wand van elastische arteriën; hierdoor wordt de bloedgolf verder geduwd (6.2.2)
witte pulpa reticulair bindweefsel in de milt; bevat vooral uit lymfocyten (6.6.2)
witte stof zenuwweefsel dat vooral bestaat uit gemyeliniseerde zenuwvezels en daarom wit van kleur is (12.4.3)
wondvocht bloedplasma zonder fibrinogeen; ontstaat doordat bloed naar buiten geperst wordt, via het fibrinenetwerk (bloedstolsel) waarmee de wond is gesloten (6.6.3)
X-chromosomale allelen erfelijke eigenschappen die op het X-chromosoom liggen (16.1.4)
X-chromosoom geslachtschromosoom; bepaalt de sekse van het individu: een vrouw heeft twee X-chromosomen als geslachtschromosomen en een man heeft een X-chromosoom en een Y-chromosoom (16.1.1)
Y-chromosoom mannelijk geslachtschromosoom; bepaalt de mannelijke sekse van het individu: een man heeft als geslachtschromosomen een Y-chromosoom en een X-chromosoom en een vrouw heeft twee X-chromosomen als geslachtschromosomen (en dus geen Y-chromosoom) (16.1.1)
zaadbuisjes sterk gekronkelde buisjes in de testis; in de wand van de zaadbuisjes vindt spermatogenese plaats, waarna rijpe spermatozoa aan het lumen worden afgegeven (15.4.3)
zadelgewricht gewricht waarvan beide gewrichtsvlakken vrij breed en zadelvormig zijn; de botten kunnen rond twee loodrecht op elkaar staande assen bewegen (14.2.3)
zelfhandhaving ervoor zorgen dat het individu de lichamelijke en geestelijke functies kan uitoefenen, die noodzakelijk zijn om te leven (5.4)
zenuwvezel cytoplasmatische zenuwceluitloper (3.4; 12.4.1)
zetmeel plantaardige koolhydraat; opgebouwd uit een lange keten glucosemoleculen; belangrijk bestanddeel van het menselijk voedsel (7.1.1)
zijhoorns in C7 t/m L2 aanwezige grijze stof in het ruggenmergsegment, lateraal gelegen; behoren tot het sympathische zenuwstelsel (12.9.1; 12.11.1)
zijstrengen witte stof links en rechts lateraal tussen de voor- en achterhoorns van het ruggenmerg; bevatten zowel afferente als efferente banen (12.9.1)
zintuigen organen die de exterosensoren herbergen; hiermee kunnen de kwaliteiten van de buitenwereld waargenomen worden (13.1.1)
zona pellucida doorzichtige laag rondom de rijpe eicel (15.7.2)
zouten elektrolyten (anorganische verbindingen) die in opgeloste vorm uiteenvallen in negatief en positief geladen deeltjes (6.6.4; 7.1.4)
zoutzuur HCl; sterk zuur (pH = 1,5) dat door kliercellen in de maagwand wordt geproduceerd (7.2.5)
zuchtreflex reflexmatig diep inademen; longblaasjes die bij rustig ademen niet bij de gaswisseling betrokken zijn, worden hierdoor ontplooid (9.3.3)
zuigelingfase levensfase van de mens gedurende de eerste 12 maanden na de geboorte (18.2)
zuurgraadspecifiek optimaal werkzaam bij een bepaalde zuurgraad (pH); van toepassing op enzymen (2.1)
zuurstofspanning partiële druk van zuurstof in een gasmengsel; PO2 in buitenlucht is 160 mmHg (9.2)
zwangerschaps(beschermend)hormoon progesteron; door het ovarium (eierstok) gevormd hormoon; stimuleert groei en doorbloeding van het endometrium (baarmoederslijmvlies) om het geschikt te maken voor innesteling van een bevruchte eicel; bij zwangerschap houdt progesteron het goed doorbloede endometrium in stand (11.9)
zwangerschapslusten bijna onbedwingbare trek hebben in bepaalde etenswaren; kan tijdens de zwangerschap optreden (17.2.2)
zwangerschapsmasker toegenomen pigmentatie in het gezicht van een zwangere (17.2.5)
zweetklier sterk gekronkelde buisvormige klier, vanuit de epidermis gevormd; ligt weggezonken in de dermis (10.2.4)
zwellichaam sponsachtige structuur in de penis, bestaat uit bindweefsel en glad spierweefsel en zwelt bij bloedtoevoer op (15.3)
zwevende ribben de twee onderste paar ribben; zitten niet vast aan het borstbeen (14.4.2)
zygote bevruchte eicel (15.7.2)