Van Vaatvlies tot Vullingstoestand van het bloedvat

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

vaatvlies choroidea in het oog (13.5.1); pia mater (12.12.3)
vaatzenuwstreng naast elkaar gelegen arterie, vene en zenuw, omgeven door een bindweefselmantel (6.4.1)
vagina musculi recti abdominis rectusschede; pezige bindweefselschede die de m. rectus abdominis (rechte buikspier) bedekt (14.6.3)
vagina tendinis peesschede; stevige koker van straf bindweefsel rond een pees (14.6.1)
vagina (1) omhullend vlies; (2) schede; kanaal tussen de cervix uteri (baarmoederhals) en de vulva; vrouwelijk paringsorgaan en laatste deel van het baringsorgaan (15.2.5)
valse ribben 3 paar ribben onder de ware ribben; zijn niet aan het borstbeen maar telkens aan de hoger gelegen rib bevestigd (14.4.2)
valse stembanden bindweefselplooien boven en parallel aan de ware stembanden (9.1.4)
valva aortae aortaklep; drie valvulae semilunares (halvemaanvormige slippen) tussen linker ventrikel en aorta (6.1.3)
valva bicuspidalis tweeslippige klep, valva mitralis (mitralisklep); atrioventriculaire klep van de linker harthelft (6.1.3)
valva mitralis mitralisklep of valva bicuspidalis (tweeslippige klep); atrioventriculaire klep van de linker harthelft (6.1.3)
valva tricuspidalis tricuspidaalklep of drieslippige klep; de atrioventriculaire klep van de rechter harthelft (6.1.3)
valva trunci pulmonalis pulmonalisklep; de drie valvulae seminulares (halvemaanvormige slippen) tussen rechter ventrikel en longslagaders (6.1.3)
vas afferens de toevoerende arteriole naar het kapsel van Bowman in een nefron (8.1.3)
vas efferens de afvoerende arteriole naar het kapsel van Bowman in een nefron (8.1.3)
vasoconstrictie bloedvatvernauwing (6.4.1; 10.4.3)
vasodilatatie bloedvatverwijding (6.4.1; 10.4.3)
vasomotorisch centrum functioneel centrum in het verlengde merg; beïnvloedt de bloeddruk in het lichaam door vasodilatatie of vasoconstrictie te bewerkstelligen (6.3.3; 12.7.3)
vaulvula ileocaecalis bauhinklep; klep tussen ileum en colon (7.2.7)
vecht-vluchtsysteem gezamenlijke functies van het sympathische zenuwstelsel, die erop gericht zijn het lichaam in staat van paraatheid te brengen (12.10.2)
vegetatieve functies de werking van de vijf vegetatieve orgaanstelsels: circulatiestelsel (transport), spijsverteringsstelsel (voedselvoorziening), urinewegstelsel (uitscheiding), ademhalingsstelsel (gaswisseling) en de huid (begrenzing) (5.1)
vegetatieve integratie de onderlinge afstemming van de vijf vegetatieve functies van het lichaam (5.2; 12.3.2)
vegetatieve orgaanstelsels orgaanstelsels die zich met de vegetatieve functies bezighouden: circulatiestelsel, spijsverteringsstelsel, urinewegstelsel, ademhalingsstelsel en de huid (5.2)
vegetatieve sensoriek het totaal aan vegetatieve sensoren in het lichaam; de 'meetapparatuur' van het lichaam (4.2.3; 13.1.1)
vegetatieve zenuwstelsel autonome zenuwstelsel of onwillekeurige zenuwstelsel; reguleert de integratie van de vegetatieve orgaanstelsels (12.3.1; 12.11)
vellushaar donsachtig, ongepigmenteerd haar; wordt tijdens de pubertijd op bepaalde plaatsen vervangen door terminaal haar (10.2.4)
vena cava inferior onderste holle ader (6.4.2)
vena cava superior bovenste holle ader (6.4.2)
vena jugularis interna inwendige halsader (12.14)
vena lienalis miltader (6.4.2)
vena portae poortader (6.4.2; 7.3.2)
vena renalis nierader (8.1.2)
vena umbilicalis navelstrengader (16.2.2; 16.4.1)
vena ader of vene; afkorting: v.
venae bronchiales voeren zuurstofarm bloed vanuit de luchtwegen naar de v. cava superior (9.1.9)
venae coronaria kransaders (6.3)
venae hepaticae leveraders (7.3.2)
venae pulmonales longaders (6.4.2)
veneus bloed aderlijk bloed; zuurstofarm bloed (6.4.2)
veneuze druk bloeddruk in de aders (6.5)
ventilatie luchtverversing in de luchtwegen (9.3)
ventraal aan de buikzijde; tegengesteld aan dorsaal (aan de rugzijde) (4.3)
ventrale mesenterium dubbele peritoneumplooi; ophangband aan de buikzijde van de buikholte; ligt tussen diafragma, lever en maag (7.4.2)
ventriculi cerebri hersenventrikels; hersenkamers (12.13.1)
ventriculi laterales cerebri zijventrikels; in elk van de hemisferen van de grote hersenen ligt er een (12.5.2; 12.13.1)
ventriculus quartus cerebri vierde ventrikel; kleine, ruitvormige ventrikel in de hersenstam (12.13.1)
ventriculus tertius cerebri derde ventrikel; smalle, hoge ruimte in de tussenhersenen (12.13.1)
ventriculus (1) maag of gaster; (2) hartkamer (ventrikel); (3) hersenkamer (ventrikel)
ventrikelmyocard hartspierweefsel van de hartkamer (6.1.2)
ventrikelmyocardritme intrinsieke prikkelfrequentie (40/minuut) van de hartspiervezels in het ventrikelmyocard (6.1.4)
ventrikelsystolische fase contractiefase van de ventrikels; duurt 0,3 sec van de totale hartcyclus (6.2.1)
venulen kleine aders (6.4.1)
verbeningskern centrale plaats in een schedelbot van het zeer jonge kind, van waaruit verbening van het kraakbeen plaatsvindt (16.4.9)
verbranding aerobe dissimilatie; afbraak van een energierijke stof met behulp van zuurstof (2.1)
vergrijzing het in aandeel toenemen van ouderen in een samenleving (18.2)
verhoornend plaveiselepitheel meerlagig epitheel, waarvan de meest oppervlakkige cellagen verhoornen; bevindt zich in de epidermis (opperhuid) (3.1.2)
vernix caseosa wittige substantie die vanaf de zesde maand de huid van de foetus bedekt; bestaat uit vettige huidsmeer en dode epidermiscellen (16.3)
verslikken het per ongeluk terechtkomen van voedsel of drank in de luchtpijp (7.2.2)
versterkte lumbale lordose de lordose in de lumbale wervelkolom is vergroot, als gevolg van extra gewicht aan de buikzijde; treedt op bij vergevorderde zwangerschap (17.2.9)
verstijving van de slagaders afnemen van de elasticiteit van de bloedvaten met het ouder worden (18.3.1)
verstrijken het langzaam vorderen van de ontsluiting tijdens de bevalling (17.3.1)
vertebrae cervicales nekwervels; C1 t/m C7 (14.4.1)
vertebrae coccygeae 4 staartbeenwervels, vergroeid tot het os coccygis (staartbeen) (14.4.1)
vertebrae lumbales lendenwervels; L1 t/m L5 (14.4.1)
vertebrae sacrales heiligbeenwervels; S1 t/m S5, vergroeid tot os sacralis (heiligbeen) (14.4.1)
vertebrae thoracales borstwervels; Th1 t/m Th12 (14.4.1)
vertebrae wervels (14.4.1)
vertepunt afstand van ongeveer 6 meter tussen een voorwerp en het oog; bij deze afstand (en verder) hoeft het oog niet te accommoderen om het beeld scherp te zien (13.5.3)
verzadigde vetzuur vetzuur dat het maximaal aantal waterstofatomen bevat, waardoor er geen dubbele bindingen tussen de C-atomen zijn (7.1.2)
verzamelbuis kanaaltje waarop meerdere distale tubuli zijn aangesloten; verzamelt urine uit de nefronen; mondt uit in de nierkelk (8.1.3)
vesica fellea galblaas (7.3.2; 7.3.3)
vesica urinaria urineblaas (8.3.2)
vesiculae seminales zaadblaasjes; klieren die vocht toevoegen aan de spermatozoa; het licht alkalische vocht bevat ook fructose (15.3.5)
vestibulum vaginae ruimte binnen de kleine schaamlippen (15.2.1)
vestibulum voorhof; centrale deel van het benige labyrint; deel van het evenwichtsorgaan (13.7.1)
vetcellen adipocyten; bindweefselcellen die vetdruppels opslaan
vetoplosbare vitaminen vitaminen die opgelost in vet via de darmwand in het bloed worden opgenomen; vitaminen A, D, E en K (7.1.5)
vetweefsel losmazig bindweefsel met veel vetcellen (3.2.1)
vetzuur organisch molecuul dat de basis voor vetten vormt; in elke vetmolecuul zitten drie vetzuren (7.1.2)
vezelig kraakbeen kraakbeen waarvan het chondrine vol zit met collagene vezels; is zeer stevig en trekvast (bijvoorbeeld in tussenwervelschijven) (3.2.2)
villi darmvlokken; oppervlakte vergrotende uitstulpingen van de mucosa in de dunne darm (7.2.6)
viscerocranium aangezichtsschedel (14.3.2)
viscositeit stroperigheid; mate van vloeibaarheid (2.3.1; 4.1.1)
vitale capaciteit VC; de hoeveelheid maximaal verplaatsbare lucht per ademhaling (9.4.1)
vitaminen organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling in het lichaam (7.1.5)
vlak gewricht gewricht waarbij beide gewrichtsvlakken vrij vlak zijn; maakt geringe zijdelingse beweging mogelijk (14.2.2)
VLDL very low density lipoprotein; door de lever gemaakte lipoproteïne ; hierin worden vetdeeltjes 'verpakt' en in de bloedbaan gebracht (7.3.2)
vliezige labyrint geheel van gangen en holten omgeven door een vlies; ligt in het binnenoor en omvat slakkenhuis, vestibulum en drie halvecirkelvormige kanalen (13.6.1)
voetgewelf de voetbeenderen vormen zowel in de breedte als in de lengte een boog; hierdoor wordt het gewicht van het lichaam over de hele voet verdeeld (15.4.1)
voetzoolreflex strümpelreflex; ruggenmergreflex; bij prikkeling van de voetzool worden de tenen reflexmatig plantair (naar de voetzool toe) gebogen (12.10.2)
volgreflex reflexmatig met de ogen op een voorwerp gefixeerd blijven; dit gebeurt bij bewegen van het voorwerp of wanneer je zelf ten opzichte van een stilstaand voorwerp beweegt (13.5.3)
volkmannkanalen uitsparingen in botweefsel voor bloedvaten vanuit het periost (14.1.1)
volkomen ontsluiting hierbij is de portio volledig verstreken en heeft de uitwendige opening een diameter van 10 centimeter (17.3.1)
volwassenheid levensfase van de mens vanaf 20 jaar (18.2)
vomer plat botstuk; vormt dorsocaudale deel van het septum nasi (neustussenschot) (14.3.2)
von Willebrandfactor stollingsfactor VIII in het bloedplasma (6.6.3)
voornier embryonale nier; wordt in derde week aangelegd en daarna vervangen door de oernier (16.4.1)
voorste gehemeltebogen vlezige plooien achter in de mondholte; ventraal van en parallel aan de achterste gehemeltebogen (7.2.2)
voorste oogkamer de ruimte tussen cornea en iris (13.5.2)
voorstreng witte stof tussen de voorhoorns van het ruggenmerg; bevat efferente banen (12.9.1)
voorurine het vocht dat na ultrafiltratie in het kapsel van Bowman ontstaat; meer dan 99% wordt via de wand van het nierkanaaltje in het bloed teruggeresorbeerd (8.1.4)
voorwaardelijke reflex geconditioneerde reflex of aangeleerde reflex; door oefening tot een reflex geworden reactie, op een prikkel die voordien deze reactie niet teweegbracht (12.10)
vrije zenuwtakken uiteinden van vrij eindigende afferente zenuwvezels in de huid en slijmvliezen (14.4)
vruchtvliezen chorion en amnion tezamen; omhullen embryo/foetus (16.2.2)
vruchtzak door de vruchtvliezen gevormde zak met daarin de foetus en het vruchtwater; tijdens de ontsluiting puilt een deel van de vruchtzak vóór het hoofdje naar buiten; dat bevordert de ontsluiting (17.3.1)
vullingstoestand van het bloedvat mate van vulling van een bloedvat; is bepalend voor de bloeddruk (6.5)