Van Talg tot Tweeslippige klep

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

taeniae coli drie longitudinale spierstroken in de wand van de dikke darm) (7.2.7)
talg vettige stof, uitgescheiden door talgklieren in de huid; houdt de huid soepel en vettig; vormt een barrière tegen micro-organismen (10.2.3)
talgklier trosvormige klier, vanuit de epidermis gevormd; produceert talg (10.2.3)
talus sprongbeen; groot voetwortelbeen tussen tibia (scheenbeen) en fibula (kuitbeen) enerzijds en calcaneus (hielbeen) en os naviculare anderzijds (14.5.4)
tandformule numerieke methode om aantal en positie van de gebitselementen aan te geven (7.2.2)
tandholte ruimte binnen de kroon van een gebitselement; bevat tandpulpa (tandmerg) (7.2.2)
tandpulpa tandmerg; losmazig bindweefsel met bloedvaatjes en zenuwtakjes in tandholte en het wortelkanaal van een gebitselement (7.2.2)
tastzin vermogen om aanraking waar te nemen (13.4)
teken van Chadwick verkleuren van bleekroze naar blauwrood van de kleine schaamlippen, vaginawand en portio; treedt vroeg in de zwangerschap op (17.2.10)
temperatuurcentrum functioneel centrum in de hypothalamus dat veranderingen van de lichaamstemperatuur registreert en reguleert, in samenwerking met het temperatuurregulatiecentrum in de medulla oblongata (verlengde merg) (12.6.2)
temperatuurregulatiecentrum functioneel centrum in de medulla oblongata (verlengde merg) dat de lichaamstemperatuur reguleert (12.7.2)
temperatuurspecifiek optimaal werkzaam bij een bepaalde temperatuur; van toepassing op enzymen (2.1)
tendo Achillis achillespees of tendo calcaneus; pees van de m. triceps surae (driehoofdige kuitspier); zit vast aan de calcaneus (hielbeen) (14.6.4)
tendo pees; verbinding van straf bindweefsel tussen een spier en een bot; brengt de spierkracht over op het bot (14.6.1)
tentorium cerebelli dubbele plooi van de dura mater tussen de achterhoofdskwab van de grote hersenen en de bovenkant van de kleine hersenen (12.12.1)
tepelhof gepigmenteerde omgeving van de tepel (10.2.4)
terminaal haar dik, meestal gepigmenteerd en op sommige plaatsen lang haar; vervangt het vellushaar tijdens de puberteit (10.2.4)
Terminologia Anatomica internationele naamgeving van de anatomie en fysiologie; grotendeels gebaseerd op het Latijn (1.4.2)
terugresorptie het door middel van actief transport weer in het bloed opnemen van stoffen uit de voorurine; dit gebeurt in de nefronen en de verzamelbuizen (8.1.4)
terugtrekreflex ruggenmergreflex; hierbij wordt een lichaamsdeel reflexmatig teruggetrokken door buigspieren aan te spannen en antagonistische strekspieren te ontspannen (12.10.2)
testes zaadballen; mannelijke gonaden; produceren mannelijke geslachtscellen en testosteron (15.3.2)
testosteron mannelijk geslachtshormoon. geproduceerd door de leydigcellen in de testes; stimuleert spermatogenese, en groei en ontwikkeling van de primaire en secundaire mannelijke geslachtskenmerken (11.9; 15.5.2)
tetra-jodothyronine thyroxine of T4; door schildklier geproduceerd hormoon; stimuleert celgroei en celmetabolisme in alle lichaamscellen (11.5)
T-geheugencellen T4-cellen; lymfocyten die na contact met een ziekteverwekker gevormd worden; blijven in het bloed circuleren, waardoor ze na hernieuwd contact met dezelfde ziekteverwekker snel in actie komen (6.9.2)
thalamus grijze stof (kernen) in de zijwanden van het derde hersenventrikel; onderdeel van het diencephalon (tussenhersenen); hier worden vrijwel alle afferente impulsen naar overige delen van de hersenen doorgeschakeld; ook bepaalde efferente informatie wordt hier doorgegeven (12.6.1)
T-helpercellen lymfocyten die essentieel zijn voor zowel de cellulaire als de humorale immuniteit door respectievelijk cytotoxische T-cellen te activeren en B-lymfocyten aan te zetten tot de vorming van antistoffen (6.7.2)
thermosensoren sensoren die gevoelig zijn voor temperatuursveranderingen zitten in de huid, iris, dura mater, hypothalamus en het slijmvlies van meerdere organen (13.1.1; 13.4)
thètaritme θ-ritme; relatief langzaam (4 - 7 Hz) en onregelmatig golfpatroon van het EEG vrij snel na inslapen van de proefpersoon (12.5.3)
thoracale kyfose kyfose in het thoracale deel van de wervelkolom (14.4.1)
thorax borstkas (14.4.2)
thymine stikstofbase in nucleïnezuur (alleen in DNA) (2.2.3)
thymocyten stamcellen van T-lymfocyten; zijn vanuit bloedvormend weefsel in het rode beenmerg naar de thymus gemigreerd (6.9.2)
thymus zwezerik; lymfoïde orgaan dat vooral in de kinderjaren belangrijk is voor de afweer; neemt in daarna afmeting af tot een klein vetkwabje (6.8.2)
thyroïdstimulerend hormoon TSH of schildklierstimulerend hormoon; door adenohypofyse geproduceerd; stimuleert de schildklier tot de vorming van schildklierhormonen (11.3.2)
thyroxine tetra-jodothyronine of T4; door schildklier geproduceerd hormoon; stimuleert celgroei en celmetabolisme in alle lichaamscellen (11.5)
tibia scheenbeen (14.5.4)
T-lymfocyt T-cel; thymocyten die zorgen voor de cellulaire immuniteit; bevinden zich in lymfoïde organen, rood beenmerg en in het bloed; (6.9.2)
toeschietreflex reflexmatig contraheren van de melkkliergangen in de borst, wanneer de baby aan de tepel zuigt; gevolg is melkuitstroom (11.3.1)
tongriem verbinding tussen tong en mondbodem (7.2.2)
tongslijmvlies dikke laag niet-verhoornend plaveiselepitheel op de tong (7.2.2)
tongspieren spierweefsel in de tong (14.6.2)
tonsilla lingualis tongamandel; lymfatisch weefsel aan de tongbasis; maakt deel uit van de waldeyerring (6.8.2; 7.2.2)
tonsilla palatina gehemelteamandel; lymfatisch weefsel links en rechts achter in de keel; maakt deel uit van de waldeyerring (6.8.2)
tonsilla pharyngealis adenoïd; lymfatisch weefsel in de neus-keelholte ('neusamandel'); maakt deel uit van de waldeyerring (6.8.2)
tonsillen amandelen; groepjes lymfatisch weefsel op de overgang van mond- en neusholte naar keelholte (6.8.2; 7.2.2))
topografie plaatsbeschrijving van organen en delen van het lichaam, waarbij de relatieve ligging ten opzichte van omringende structuren wordt aangegeven (5)
totale longcapaciteit TLC; de hoeveelheid lucht die de longen na maximale inademing bevatten (9.4.1)
toxinen giftige stoffen (6.9.2)
traanapparaat traanklier, traankanaaltjes, traanzak en traanbuis tezamen (13.5.4)
traanfilm dun laagje traanvocht (13.5.4)
traankanaaltjes twee kanaaltjes in de mediale hoek van het oog; voeren traanvocht van de oogbol af (13.5.4)
traanreflex reflexmatig verhoging van de traanproductie; treedt op bij prikkeling van het hoornvlies (12.10.2)
traanvocht door de glandula lacrimalis (traanklier) uitgescheiden vocht; bestaat uit water met een kleine hoeveelheid NaCl en eiwitten (onder andere lysozym) (13.5.4)
traanzak kanaal tussen de traankanaaltjes en de onderste neusgang; voert traanvocht naar de neusholte af (13.5.4)
trabekels steun gevende bindweefselschotten in lymfeknopen en milt; verdelen het merg in compartimenten (6.6.2)
trachea luchtpijp (9.1.5)
tractus opticus optische baan; voorzetting van de N. opticus (oogzenuw) na het chiasma opticum (13.5.3)
tractus pyramidales piramidebanen; vanuit de hersenschors afdalende banen (motorische vezels) tot in het ruggenmerg; verzorgen de fijne - vaak aangeleerde - motoriek (12.5.2; 12.9.2)
tractus baan; bundel gemyeliniseerde (axonen) zenuwvezels binnen het centrale zenuwstelsel (12.4.3)
transaminering omzetting van het ene in een andere aminozuur in de lever (7.3.2)
transporteiwitten enzymen die stoffen via de celmembraan in en uit de cel transporteren (enzymatische pomp) (2.2.2)
transportenzym membraaneiwitten in de celmembraan die bepaalde stoffen in of uit de cel transporteren (2.3.1)
transport-RNA tRNA; uit een triplet bestaand stukje RNA in het cytoplasma; kan het bij dit triplet behorende aminozuur aan zich binden (2.2.3)
transversaal vlak evenwijdig aan het vloeroppervlak; verdeelt het lichaam in boven en onder (4.2)
transversale doorsnede maakt een transversaal vlak (4.2)
tricuspidaalklep valva tricuspidalis of drieslippige klep; de atrioventriculaire klep van de rechter harthelft (6.1.3)
triglyceridemolecuul vetmolecuul; opgebouwd uit drie vetzuurmoleculen en een glycerolmolecuul (7.1.2)
trigonum vesicae blaasdriehoek; ongeplooide stukje slijmvlies in de wand van de urineblaas; hierin monden de ureters uit (8.3.2)
tri-jodothyronine T3; door schildklier geproduceerd hormoon; stimuleert celgroei en celmetabolisme in alle lichaamscellen (11.5)
trilhaarepitheel eenlagig epitheel met veel slijmcellen en trilhaarcellen tussen de epitheelcellen (3.1.1)
triplet drie nucleotiden achter elkaar in DNA of tRNA; codeert voor een aminozuur (2.2.3)
trochanter major relatief grote knobbel hoog lateraal op het femur (dijbeen) (14.5.4)
trochanter minor uitsteeksel hoog mediaal op het femur (dijbeen) (14.5.4)
trofoblast verzameling trofoblastcellen grenzend aan de embryoblast (voorloper van het embryo); maakt contact met het endometrium en groeit later uit tot placenta (16.2.1)
trofoblastcellen alle cellen van de blastocyste behalve de embryoblast (voorloper van het embryo) (16.2.1)
trombocyten bloedplaatjes; bloedcelfragmenten die tromboplastinogeen bevatten (3.2.4; 6.6.1)
tromboxaan Tx; prostaglandine uit trombocyten; doet trombocyten agglutineren en veroorzaakt bloedvatvernauwing in de kransslagaders (11.10)
truncus brachiocephalicus aftakking van de arcus aorta; splits in de a. subclavia dextra en a. carotis communis dextra (6.4.2)
truncus cerebri hersenstam; van craniaal naar caudaal opgebouwd uit mesencephalon (middenhersenen), pons en medulla oblongata (verlengde merg) (12.7)
truncus coeliacus aftakking van de aorta descendens; splitst in de a. gastrica sinistra, de a. lienalis en de a. hepatica (6.4.2)
truncus intestinalis groot lymfevat dat lymfe uit de buikorganen vervoert (6.8.1)
truncus lumbalis groot lymfevat dat lymfe uit een been en de bekkenorganen vervoert (6.8.1)
truncus lymphaticus lymfestam; groot lymfevat (6.8.1)
truncus pulmonalis groot bloedvat dat aan de rechterventrikel ontspringt; splitst in linker en rechter a. pulmonalis (6.1.2; 6.4.2)
truncus groot bloed- of lymfevat of een grote zenuw
trypsine een protease; splitst eiwitten in polypeptiden (7.1.3; 7.2.6)
trypsinogeen onwerkzaam voorstadium van trypsine (7.2.6)
T-suppressorcellen lymfocyten die remmend werken op de immuunreacties zodra er geen antigenen meer in het lichaam zitten (6.9.2)
T-top in het ECG zichtbare elektrische herstel van de hartspiercellen in het ventrikelmyocard (relaxatiefase) (6.2.3)
tuba uterina eileider; buis tussen ovarium en uterus; grotendeels opgebouwd uit glad spierweefsel (15.2.3)
tuber ischiadicum zitbeenknobbel; verbreding aan de onderkant van het os ischii (zitbeen) (14.5.3)
tumor zwelling; een van de ontstekingsverschijnselen (6.9.1)
tunica adventitia tunica externa; buitenste bindweefsellaag van de wand van een bloedvat (6.4.1)
tunica intima binnenste laag van de wand van een bloedvat; grenst aan het lumen (6.4.1)
tunica media middelste laag van de wand van een bloedvat; opgebouwd uit elastisch en glad spierweefsel (6.4.1)
turgor spanning; veerkracht
Turkse zadel uitholling aan de onderkant van het os sphenoidale (wiggenbeen); hierin bevindt zich de hypofyse (14.3.1)
tussencelstof matrix; extracellulaire stoffen in een weefsel (3)
tussenwervelschijf discus intervertebralis; kraakbeenschijf met geleiachtige kern tussen twee wervellichamen (14.2.1; 14.4.1)
tweede afweerlinie aspecifieke afweer van het lichaam tegen binnengedrongen pathogenen (6.7.1)
tweede harttoon hoorbaar bij het dichtklappen van de arteriële kleppen aan het begin van aorta en truncus pulmonalis (6.2.1)
tweeslippige klep valva bicuspidalis of valva mitralis (mitralisklep); atrioventriculaire klep van de linker harthelft (6.1.3)