Van Sacculus tot Stolische bloeddruk

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

sacculus zakvormige verwijding van het vliezige labyrint in het vestibulum; deel van het evenwichtsorgaan (13.7.1)
sacharase enzym dat de sacharose splitst in een molecuul glucose en een molecuul fructose (7.1.1)
sacharose een disacharide (tweevoudige suiker) opgebouwd uit glucose en fructose (7.1.1)
sacrale kyfose kyfose in het sacrale deel van de wervelkolom (14.4.1)
sacro-iliacaal gewricht SI-gewricht; straf gewricht tussen een os ilium (darmbeen) en het os sacrum (heiligbeen) (14.5.3)
sagittaal vlak loodrecht op een frontaal vlak; verdeelt (delen van) het lichaam in links en rechts (4.2)
sagittale doorsnede maakt een sagittaal vlak (4.2)
saliva speeksel (7.2.2)
saltatoire impulsgeleiding sprongsgewijze impulsgeleiding; actiepotentialen verplaatsen zich met sprongen van de ene insnoering van Ranvier naar de volgende (12.4.4)
scala media reissnerkanaal; deel van het vliezige labyrint tussen de scala vestibuli en de scala tympani; is gevuld met endolymfe en herbergt de mechanosensoren (13.6.1)
scala tympani deel van het slakkenhuis; onderste kanaal van het benige labyrint; gevuld met perilymfe (13.6)
scala vestibuli deel van het slakkenhuis; bovenste kanaal van het benige labyrint; gevuld met perilymfe (13.6)
scapulae schouderbladen (14.5.1)
schakelneuronen zenuwcellen in het CZS die impulsen van de ene naar de andere zenuwcel overbrengen (12.4.1)
scharniergewricht gewricht dat alleen beweging rond de transversale as mogelijk maakt (14.2.3)
schede van Schwann omhulling rond de axon; bevat meestal myeline (merg) (12.4.2)
schedelbasis van buiten niet zichtbare, onderste deel van de hersenschedel; hierop rusten de hersenen (14.3.1)
schedeldak van buiten zichtbare deel van de hersenschedel (14.3.1)
schedelholte ruimte binnen de schedelbeenderen (4.6.2)
schedelnaad sutura; plaats waar twee schedelbeenderen tegen elkaar zijn gegroeid en de tussenliggende bindweefselverbinding uit de vroege jeugd is verdwenen (14.2.1; 16.4.9)
schiltemperatuur lichaamstemperatuur rondom de kern van het lichaam; gemiddeld 33°C(10.4.1)
schoolkind levensfase van de mens tussen het 6e en het 12e jaar (18.2)
schorsgebied een functioneel begrensd deel van de hersenschors (12.4.3)
schoudergordel aantal botten die samen een ringvormige structuur vormen en de armen met de romp verbinden (14.5.1)
schuine oogspieren twee, links en rechts op de oogbol vastzittende spieren (13.5.4)
schwanncellen gliacellen in het zenuwweefsel in het PZS (12.4.2)
sclera harde oogrok; buitenste, zeer stevige laag van de oogbol (13.5.1)
sclerotoom deel van een somiet (oersegment) dat zich ontwikkelt tot een helft van een wervel met bijbehorende rib (16.2.2)
scrotum balzak; zakvormige huidplooi waarin de testes liggen (15.3.2)
secretie afscheiding (3.1.3)
secretiefase afscheidingsfase; 3e fase in de menstruele cyclus, van de 15e tot de 28ste dag, waarin het endometrium sponsachtig opzwelt, en er glycogeen in wordt opgeslagen (15.5.1)
secretine weefselhormoon dat onder zure omstandigheden in het duodenum uit prosecretine ontstaat; stimuleert de pancreas tot afgifte van natriumbicarbonaat (neutraliseert de zure spijsbrij) (7.2.5; 11.10)
secundaire auditieve schors een afgegrensd sensorisch schorsgebied waar de interpretatie van de auditieve prikkels plaatsvindt (12.4.3)
secundaire geslachtskenmerken geslachtskenmerken die onder invloed van hormonen tijdens de groei tot ontwikkeling komen (15.1)
secundaire hemostase vorming van een bloedstolsel (coagulatie) als gevolg van de stollingscascade (6.6.3)
secundaire immuunreactie het in korte tijd explosief toenemen van antistoffen doordat er bij een eerdere infectie B-geheugencellen werden gevormd (6.9.2)
secundaire motorische schors premotorische schors; groot deel van de hersenschors dat zich voor de primaire motorische schors bevindt (12.5.3)
secundaire oöcyt haploïde cel die na voltooiing van de meiose I uit de primaire oöcyt ontstaat (15.4.2)
secundaire sensorische schors schorsgebied in de grote hersenen waar betekenis wordt toegekend aan de prikkels die in de primaire sensorische schors binnenkomen (12.5.3)
secundaire spermatocyten spermatiden; haploïde cellen die na meiose uit de primaire spermatocyten ontstaan (15.4.3)
secundaire visuele schors afgegrensd sensorisch schorsgebied waar de interpretatie van de lichtprikkels plaatsvindt (12.5.3)
seksuele leeftijd de mate van ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken geeft informatie over de ontwikkelingsleeftijd van een kind (18.1.5)
semipermeabel half doorlaatbaar; gezegd van de celmembraan via welke alleen water en gassen ongehinderd kunnen passeren (2.2.2)
sensibele achterhoorn naar achteren gerichte deel van de grijze stof van het ruggenmerg; bevat behalve axonen (zenuwvezels) van de sensibele zenuwcellen ook schakelneuronen (12.9.1)
sensibele neuronen zenuwcellen die sensorische informatie naar het CZS vervoeren (12.4.1)
sensibele voorwortel tot een bundel verenigde sensibele zenuwvezels die het ruggenmerg binnentreden (12.9.1)
sensibiliteit huidgevoel (13.4)
sensor zintuigcel; gespecialiseerde, aan een zenuwcel verwante cel; wordt geprikkeld door een verandering in zijn omgeving; zet deze prikkel om in een impuls (12.2; 13.1)
sensorische geheugen functionele delen van de hersenschors die het mogelijk maken bepaalde gewaarwordingen (zoals geuren, kleuren) te herinneren (12.5.3)
sensorische homunculus sensorisch 'mannetje'; projectie van de lichaamsdelen op de primaire sensorische schors van de grote hersenen (12.5.3)
sensorische input het opvangen van prikkels door sensoren (12.2)
sensorische somatotopie de lichaamsgebieden hebben ieder hun representatie op de primaire sensorische schors; hoe groter de sensibiliteit, hoe groter het bijbehorende schorsgebied (12.4.3)
sensorische stelsel het geheel van zintuigen via welke het centrale zenuwstelsel informatie vanuit de omgeving en vanuit het lichaam zelf ontvangt (4.1.7)
sensorpotentiaal elektrische lading die in een sensor ontstaat als gevolg van een stimulus (prikkel) (13.1.2)
septum cordis harttussenschot (6.1.2)
septum interatriale cordis tussenschot tussen linker- en rechteratrium (boezem); is dun en bestaat uit bindweefsel (6.1.2)
septum interventriculare cordis tussenschot tussen linker- en rechterventrikel (kamer); is dik en bestaat uit hartspierweefsel (6.1.2)
septum nasi neustussenschot; verdeelt de neusholte in links en rechts; (9.1.1; 14.3.1)
septum penis bindweefselschot tussen de twee corpora cavernosa penis (zwellichamen) (15.3.1)
sereus (1) betrekking hebbend op vocht dat door sereuze vliezen wordt geproduceerd; (2) waterig, van toepassing op speeksel; (5.6.3; 7.2.2)
sereuze holte ruimte omsloten door sereuze vliezen (weivliezen) (4.6.3)
sereuze vliezen weivliezen; dun, met epitheel bedekt vlies, dat continu sereus vocht produceert; bestaat uit een visceraal blad (binnenblad) en een pariëtaal blad (buitenblad) (4.6.3)
serosa viscerale deel van het peritoneum (buikvlies) (7.2.1)
serotien gezegd van een kind dat meer dan een week na de uitgerekende datum geboren wordt (16.3)
sertolicellen cellen in de wand van de zaadbuisjes die een voedende en ondersteunende functie hebben bij de spermatogenese (15.4.3)
sesambeen verbeend stuk pees (bijvoorbeeld de patella) (14.5.4)
sfincter sluitspier of kringspier (7.2.3)
SI-gewricht sacro-iliacaal gewricht; straf gewricht tussen een os ilium (darmbeen) en het os sacrum (heiligbeen) (14.5.3)
sinister links; tegengesteld aan dexter (rechts) (4.3)
sinus coronarius wijd bloedvat in de hartcirculatie waar het bloed vanuit de venae coronariae verzameld wordt; mondt rechtstreeks uit in het rechter atrium (6.3; 6.4.2)
sinus ethmoidalis neusbijholte in het os ethmoidale met grillig verloop (9.1.1; 14.3.1)
sinus frontalis voorhoofdsholte; een neusbijholte in het os frontale (voorhoofdsbeen) (9.1.1; 14.3.1)
sinus maxillaris kaakholte; neusbijholte in de bovenkaak (maxilla)(9.1.1; 14.3.4)
sinus paranasales neusbijholten; meerdere kleine holten in de aan de neusholte grenzende schedelbeenderen; bekleed met neusslijmvlies (9.1.1)
sinus sphenoidalis neusbijholte in het os sphenoidale (9.1.1; 14.3.1)
sinus urogenitalis laatste, verwijde, deel van de gang van Wolff in de embryonale oernier (16.4.3)
sinusknoop pacemaker of gangmaker; zenuwknoop bovenin het rechteratrium die impulsen opwekt die beide atria doen contraheren (6.1.4)
sinusoïden verwijde bloedvaten (bijvoorbeeld in de leverlobjes) (7.3.2)
sinusritme intrinsieke frequentie waarmee de sinusknoop prikkels opwekt; gemiddeld 100 per minuut (6.1.4)
skeletleeftijd botleeftijd; aan de hand van de ontwikkeling van het skelet (waarbij gekeken wordt naar de al of niet verbeende groeischijven) is de fysiologische leeftijd van het kind vast te stellen (18.1.5)
skeletspieren dwarsgestreepte spieren; willekeurige spieren; aangestuurd door het willekeurige zenuwstelsel; maken bewegingen van (delen van) het skelet mogelijk (3.3; 14.6)
slaapcentrum functionele groep neuronen in de reticulaire formatie die de slaap aanstuurt (12.7.4)
slagvolume aantal milliliter bloed dat per contractie uit een ventrikel wordt gepompt (6.5)
slapen voor het lichaam onmisbare rustperiode; toestand van bewusteloosheid, waarin psychische en lichamelijke activiteiten afgenomen zijn (12.4.3)
slijmvlies niet-verhoornend plaveiselepitheel met veel slijmcellen tussen de buitenste laag cellen (3.1.2)
slikreflex reflexmatige slikbeweging wanneer de achterste gehemeltebogen en de keelwand geprikkeld worden (7.2.2; 12.10.1)
smaakcortex secundair schorsgebied waar smaakgewaarwording plaatsvindt (12.5.3)
smaakknoppen groepjes (ongeveer 10.000) smaaksensoren op het tongoppervlak; het merendeel ligt binnen de smaakpapillen (13.3)
smaakpapillen papillae linguales; in het tongoppervlak; bevatten smaaksensoren (7.2.2; 13.3)
smaaksensoren zintuigcellen voor de smaakgewaarwording; liggen in de smaakknoppen op het tongoppervlak en in het epitheel van monddak, gehemelte en keelwand (7.2.2; 13.3)
smaakzin het vermogen om te proeven (13.3)
smegma bij de vrouw: witte substantie in de vulva; bestaat uit huidcellen en talg (15.2.1); bij de man: wittige substantie onder de voorhuid; bestaat uit huidcellen, prostaatvocht en kliervocht uit kliertjes in de voorhuid (15.3.1)
snelle spiervezels type spiervezels in de skeletspier; gekenmerkt door relatief korte hevige contracties, matig uithoudingsvermogen, minder grote zuurstofbehoefte (vergeleken met langzame spiervezels) (14.6.1)
somatomedine insulin-like-growth-factor (IGF); weefselhormoon dat onder invloed van het somatotroop hormoon door lever en (waarschijnlijk) nieren wordt gevormd; versterkt de werking van het somatotroop hormoon (11.3.2)
somatotroop hormoon STH of groeihormoon; door adenohypofyse geproduceerd; stimuleert eiwitsynthese en celstofwisseling in de cellen van alle weefsels (11.3.2)
somieten oersegmenten; ontstaan in de derde week van de embryonale ontwikkeling uit het mesoderm; uit elk oersegment ontwikkelt zich een dermatoom, een myotoom en een sclerotoom (16.2.2)
soorthandhaving ervoor zorgen dat een soort nakomelingen krijgt en niet uitsterft (5.4)
specifiek bereik eigenschap van een sensor (13.1.2)
specifieke gevoeligheid verschijnsel dat sensoren voor adequate prikkels een veel lagere prikkeldrempel (hogere prikkelgevoeligheid) hebben dan voor niet-adequate prikkels (13.1.2)
specifieke gewaarwording een voor het zintuig kenmerkende gewaarwording (13.1.2)
specifieke immuniteit afweer van het lichaam tegen specifieke ziekteverwekkers die het lichaam zijn binnengedrongen (6.9.2)
speeksel saliva; door speekselklieren uitgescheiden, kleurloos troebel vocht, dat water, slijm en het enzym ptyaline bevat (7.2.2)
speekselklieren trosvormige klieren waarvan de afvoergangen in de mondholte uitmonden (7.2.2)
speekselreflex reflexmatig verhoogde activiteit van de speekselklieren, bij ruiken, zien en denken aan voedsel (12.10.1)
sperma ejaculaat; bevat spermatozoa (0,5%) en kliervocht van prostaat en zaadblaasjes (15.7.1)
spermatiden cellen die na meiose II uit secundaire spermatocyten ontstaan zijn (15.4.3)
spermatogenese zaadcelontwikkeling; van spermatogonium tot spermatozoön (15.4.3)
spermatogonia kiemcellen waaruit zich later de spermatozoa ontwikkelen; ontstaan in de vierde week van de embryonale ontwikkeling (15.4.3)
spermatozoa rijpe zaadcellen (15.4.3)
spierantagonisme elke beweging komt tot stand door twee (soms meer) tegengesteld werkende spieren: contraheert de ene spier, dan ontspant de andere (14.6.1)
spieratrofie het dunner en zwakker worden van een spier door het langdurig niet gebruiken ervan (14.6.1)
spierbuik verdikt middelstuk van een spier (14.6.1)
spierfascie bindweefsellaag rond een spier; gaat aan de spieruiteinden over in de pees (4.6.1; 14.6.1)
spierhypertrofie het dikker en sterker worden van een spier door de spier (extra) vaak te gebruiken (14.6.1)
spierpomp spiercontracties in de ledematen; bevorderen terugstromen van bloed naar het hart (6.4.1)
spierspoelen spoelvormige zintuigjes in skeletspieren; worden geprikkeld wanneer de spiervezels verlengd (gerekt) worden (13.7.2)
spierspoelreflex ruggenmergreflex; reflexmatig contraheren van de spier, wanneer deze plotseling gerekt wordt (bijvoorbeeld kniepeesreflex) (12.10.2; 13.7.2)
spierteugels drie groepen spieren die enerzijds aangehecht zijn aan het tongbeen en anderzijds aan onderkaak, schedelbasis en borst- en sleutelbeen (14.6.2)
spiertonus spierspanning zonder dat de spier daardoor verkort (14.6.1)
spiervezels spiercellen; langwerpige, veelkernige cellen in dwarsgestreept spierweefsel (3.3; 14.6.1)
spina iliaca anterior superior voorste uitstekende deel van de crista iliaca (bekkenkam) (14.5.3)
spina scapulae transversaal uitstekend deel aan de dorsale kant van de scapula (schouderblad) (14.5.1)
spina (1) puntig uitsteeksel; (2) wervelkolom
spinale ganglion zenuwknoop met cellichamen van sensibele neuronen; bevindt zich links en rechts in het ruggenmergsegment (12.4.3; 12.9.1)
ruggenmergzenuwen ruggenmergzenuwen; gemengde zenuwen die paarsgewijs ontspringen aan een ruggenmergsegment (12.8.3)
spiraalarteriën wijde en spiraalvormige slagaders die vanuit het endometrium in de placenta groeien (17.1; 16.2.1)
spirometer apparaat waarmee iemands longfunctiegrootheden bepaald kunnen worden (9.4)
splijtlijnen denkbeeldige lijnen die de splijtrichting van de huid aangeven en waarlangs een incisie gemaakt wordt, zodanig dat een smalle wond ontstaat (10.2.2)
splijtrichting richting waarin een incisie in de huid een al of niet gapende wond veroorzaakt; wordt bepaald door de in ruitvormig patronen gerangschikte collagene vezels in de dermis (lederhuid) (10.2.2)
spoeldraden plasmadraden die tijdens de celdeling door de centrosomen gevormd worden; trekken de chromatiden uit elkaar (2.3.1)
spoorelementen chemische elementen die het lichaam in zeer kleine hoeveelheden (sporen) nodig heeft (7.1.4)
staafjes schemerzintuig; lichtsensoren met een lage prikkeldrempel; nemen contrasten (donker/licht) waar (geen kleuren) (13.5.3)
stamcellen ongedifferentieerde cellen; leveren door mitose nieuwe cellen, die tot diverse typen cellen kunnen differentiëren (2.3.2; 6.6.2)
stapes stijgbeugel; het tegen het ovale venster gelegen gehoorbeentje in het middenoor (13.6.1)
statica statische, bewegingloze toestand van het lichaam (4.4)
statische contractie isometrische contractie; contractie van spiervezels zonder dat de spier zelf korter wordt (14.6.1)
stemspleet opening tussen de stembanden; kan door de stembanden gesloten worden (9.1.4)
stercobiline stof die na oxidatie (met O2 reageren) van urobilinogeen ontstaat; kleurt de ontlasting bruin (7.3.2)
stereoscopie met twee ogen tegelijk kijken (13.5.3)
sternum borstbeen (14.4.2; 6.6.1)
steroïden vetachtige stoffen met een ringstructuur, cholesterol is een steroïde (7.1.2)
steroïdhormonen vetachtige, aan cholesterol verwante stoffen met een hormoonwerking (bijvoorbeeld geslachts- en bijnierschorshormonen) (11.1.1)
stollingscascade kettingreactie waarin dertien stollingsfactoren na elkaar geactiveerd worden die leidt tot fibrinevorming (6.6.3)
straf bindweefsel bindweefsel waarin de collagene vezels overheersen; erg stevig; heeft de functie van het opvangen van trekkrachten (3.2.1)
straf gewricht gewricht waarbij de beide gewrichtsvlakken vrijwel onbeweeglijk op elkaar zitten; vaak verstevigd door ligamenten (14.2.3)
stratum basale basale laag; binnenste laag van de epidermis, met huidstamcellen en melanocyten (10.2.1)
stratum corneum hoornlaag; oppervlakkigste laag van de epidermis; bestaat uit afgestorven huidcellen vol keratine (10.2.1)
stratum germinativum kiemlaag; diepst gelegen laag van de epidermis (10.2.1)
stratum granulosum korrellaag; cellenlaag in de epidermis met granulae (doorzichtige korrels, de voorstadia van keratine) (10.2.1)
stratum lucidum heldere laag; cellenlaag in de epidermis; cellen bevatten het kleurloze stadium van keratine (10.2.1)
stratum papillare papillaire laag; buitenste laag van de dermis; met papillae dermis (dermale papillen) waarmee de dermis in de epidermis is verankerd (10.2.2)
stratum reticulare reticulaire laag; binnenste laag van de dermis; met collagene vezels die de splijtrichting van de huid bepalen (10.2.2)
stratum spinosum stekelcellenlaag; cellenlaag in de epidermis die met spinae (uitsteeksels) aan elkaar vastzitten (10.2.1)
stress verhoogde lichamelijke en/of geestelijke belasting (11.8.1)
striae gravidarum zwangerschapsstrepen; kleine scheurtjes in het onderhuids bindweefsel, op plaatsen waar de huid is uitgerekt (17.2.5)
strümpelreflex voetzoolreflex; ruggenmergreflex; bij prikkeling van de voetzool worden de tenen reflexmatig plantair (naar de voetzool toe) gebogen (12.10.2)
ST-segment in het ECG zichtbare periode, die het elektrisch wegebben van de ventrikelsystole weergeeft (6.2.3)
subcutis onderhuids bindweefsel (10.2.3)
subepitheliale venenplexus veneuze deel van het subpapillaire vaatnetwerk in de huid (10.3)
submucosa relatief dikke bindweefsellaag in de wand van het darmkanaal; bevat bloedvaten, lymfevaten, lymfatisch weefsel en zenuwen (7.2.1)
subpapillaire vaatnetwerk meest oppervlakkig gelegen vaatnetwerk in de huid (10.3)
subperitoneaal onder het peritoneum (buikvlies) gelegen (4.6.3)
subperitoneale organen organen die onder het peritoneum (buikvlies) liggen (7.4.1)
substantia compacta hard beenweefsel; hierin liggen de osteonen (botbuizen) dicht tegen elkaar aan, zonder ruimten ertussen (3.2.3; 14.1.1)
substantia nigra zwarte kern; belangrijk schakelcentrum binnen de extrapiramidale banen; ligt in de middenhersenen (12.7.1)
substantia spongiosa spongieus beenweefsel; bestaat uit netwerken van beenbalkjes met daartussen holten, die rood beenmerg bevatten (3.2.3; 14.1.1)
sulci groeven in het schorsoppervlak van de grote hersenen (12.5.1)
sulcus centralis centrale groeve tussen de hersenhemisferen; ligt haaks op de sulcus lateralis; tussen de gyrus pre- en gyrus postcentralis (12.5.1)
sulcus lateralis groeve aan de zijkant van de hemisfeer van de grote hersenen (12.5.1)
superficialis oppervlakkig gelegen; tegengesteld aan profundus (diep gelegen) (5.3)
superior hoger, boven; tegengesteld aan inferior (lager, onder) (4.3)
supinatie naar buiten draaien van de hand of voet; in horizontale stand van de onderarm wijst de handpalm/voetzool naar boven; tegengesteld aan pronatie (4.4)
suprachiasmatische kern functionele zenuwknoop in de hypothalamus, die een rol speelt bij het dag-nachtritme (11.4, 12.6.2)
suturae naden; plaatsen waar schedelbeenderen op elkaar aansluiten (14.2.1; 14.3.1)
symbiose samenleven van twee soorten organismen (7.2.7)
symfyse symphysis pubica; kraakbeenverbinding tussen de ossa pubica (schaambeenderen) (14.5.3)
sympathicus sympathische systeem; deel van het autonome zenuwstelsel dat (spier)actie van het lichaam stimuleert (12.10.1)
sympathische zenuwstelsel deel van het autonome zenuwstelsel dat het lichaam voorbereidt op actie; antagonist van het parasympathische zenuwstelsel (12.3.2; 12.11.1)
synaps overdrachtsplaats van impulsen, tussen zenuwcellen onderling of tussen een zenuwcel en een klier- of spiercel (12.4.5)
synapsblaasjes neurotransmitter bevattende blaasjes in het cytoplasma van de presynaptische zenuwcel (12.345)
syncytium veelkernige reuzencel, ontstaat door samensmelten van veel kleine cellen (van toepassing op dwarsgestreepte spiervezels) (3.3)
synergisten spieren die bij contractie eenzelfde effect hebben en elkaar in hun werking versterken (14.6.1)
synovia gewrichtssmeer; door de membrana synovialis gevormde vloeistof die het gewricht soepel laat bewegen (14.2.3)
systemische reactie reactie door/in het hele lichaam (6.7.1)
systole actiefase van het hart, waarbij bloed door de ventrikels uit het hart wordt gestuwd (6.2.1)
systolische bloeddruk bloeddruk tijdens de ventrikelsystole; gemiddeld 120 mmHg (16,0 kPa); 'bovendruk' bij de bloeddrukmeting (6.5.2)