Van Q-dal tot Rustsysteem

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

Q-dal in het ECG zichtbare verspreiding van de impulsen over het ventrikelseptum (6.2.3)
QRS-complex in het ECG zichtbare piek die de prikkelinvasie in het ventrikelmyocard weerspiegelt (6.2.3)
queteletindex QI of body mass index (BMI); methode om te berekenen of iemand een gezond lichaamsgewicht heeft (18.3.2)
radiatio optica zenuwvezelbanen die vanuit het corpus geniculatum lateraaluitwaaieren in de richting van de optische schors (13.5.3)
radius spaakbeen (14.5.2)
radix penis wortel van de penis; deel van de penis dat onder de symfyse ligt (15.3.1)
randsinus ruimte tussen kapsel en merg van een lymfeklier (6.8.2); wijd vat in het endometrium aan de rand van de placenta (17.1)
reactiespecifiek van toepassing op enzymen: voor elk type reactie bestaat een specifiek enzym (2.1)
receptoreiwit eiwit op de celmembraan die specifieke stoffen kan binden, zowel extra- als intracellulair (2.2.1)
recessief van toepassing op allelen die bij heterozygotie onderdrukt worden door dominante allelen (16.1.2)
rechte oogspieren vier, recht naar achteren lopende spieren op de oogbol (13.5.4)
rectum endeldarm; laatste deel (15 cm) van de dikke darm (7.2.7)
reflex onmiddellijke, automatische, motorische reactie op een prikkeling (12.10)
reflexboog de weg die impulsen bij een reflex afleggen: receptor - centrale zenuwstelsel - effector (12.10)
reflexcentrum plaats in het centrale zenuwstelsel waar bij een reflex de sensorische impulsen - al of niet via schakelneuronen - overgedragen worden op motorische zenuwcellen (12.10)
refractaire periode het niet prikkelbaar zijn van de celmembraan tussen het begin van de depolarisatie en het einde van de repolarisatie (12.4.4)
regionale lymfeknopen concentraties lymfeknopen op plaatsen waar lymfe uit een groter achterliggend gebied verzameld wordt; bijvoorbeeld in de liezen en de oksels (6.8.2)
reissnerkanaal scala media; deel van het vliezige labyrint tussen de scala vestibuli en de scala tympani; is gevuld met endolymfe en herbergt de mechanosensoren (13.6.1)
rekkingsgevoelige sensoren sensoren in de bronchiën die geprikkeld worden bij uitrekken (als gevolg van inspiratie) van de wand (9.3.3)
relaxatie ontspanning of verslapping; o.a. van toepassing op de spiervezel wanneer die na de contractie ontspant (14.6.1)
relaxatiefase fase van de hartcyclus waarin de ventrikelmyocarden ontspannen (6.2.1)
releasing hormonen RH; door de hypothalamus aan de hypofyse afgegeven; stimuleren de hormoonproductie door de adenohypofyse (11.3.2)
remslaap rapid eye movement-slaap; slaapstadium dat gekenmerkt door snelle oogbewegingen, spiercontracties en dromen (12.5.3)
ren nier (8.1)
renine door het juxtaglomerulaire complex in het nefron geproduceerd hormoon; zet angiotensinogeen in het bloed om in angiotensine (6.5.5; 8.1.5; 11.10)
renine-angiotensine-aldosteronsysteem RAAS; complex regulatiemechanisme dat bij bloeddrukdaling start met de afgifte van renine door het juxtaglomerulaire complex; renine stimuleert de vorming van angiotensine dat vervolgens vasoconstrictie veroorzaakt en aldosteronproductie door de bijnieren stimuleert; uiteindelijke gevolg is bloeddrukverhoging (8.1.5)
repolarisatie het teruggaan van de membraanpotentiaal naar de oorspronkelijk rustwaarde (-70 mV) (12.3.4)
residuvolume hoeveelheid lucht die bij maximale uitademing in de longen achterblijft (9.4.1)
resorptie het via de darmwand opnemen van voedingsstoffen in het bloed (7.2.6)
respiratoir epitheel trilhaarepitheel in de wand van de luchtwegen (9.1.5)
restdruk laagste bloeddruk in het veneuze deel van de grote circulatie (minder dan 5 mmHg) (6.3.1)
resusnegatief afwezigheid van de het resusantigeen (6.10)
resuspositief aanwezigheid van het resusantigeen (6.10)
rete testis netwerk van kanaaltjes in het centrum van de testis (15.3.2)
reticulair bindweefsel bindweefsel met netvormige structuur van reticulaire vezels; bevat veel reticulumcellen (3.2.1)
reticulaire formatie centraal gelegen functioneel netwerk van neuronen in de hersenstam; regelt het functieniveau van het centrale zenuwstelsel zelf (mate van wakker zijn en paraatheid) (12.7.4)
reticulaire vezels eiwitvezels die uit dunne vertakte collagene vezels bestaan; zitten in reticulair bindweefsel (3.2.1)
reticulo-endotheliaal systeem RES; het geheel van bij de afweer actieve macrofagen op veel plaatsen in het lichaam (o.a. beenmerg, lymfeknopen, milt en lever); functioneel bij het opruimen van lichaamsvreemde en pathogene stoffen (7.3.1)
reticulumcellen bindweefselcellen in reticulair bindweefsel (in lymfoïde organen en rood beenmerg) (3.2.1)
retina netvlies; zintuigcellen bevattende laag in de oogbol (13.5.1)
retinaculum bindweefselband om met name pezen op hun plaats te houden (14.6.4)
retroflexie achterwaarts bewegen van arm, been, hoofd of romp; tegengesteld aan anteflexie (voorwaarts bewegen) (4.4)
retroperitoneaal achter het peritoneum (buikvlies) gelegen (4.6.3)
retroperitoneale organen organen die achter het peritoneum (buikvlies) liggen (7.4.1)
reukepitheel reukslijmvlies; gespecialiseerd epitheel boven in de neusholte met veel reuksensoren tussen de epitheelcellen (9.1.1; 13.2)
reuksensoren gespecialiseerde sensoren in het reukslijmvlies; worden geprikkeld door geurstoffen (13.2)
reukslijmvlies reukepitheel; gespecialiseerd epitheel boven in de neusholte met veel reuksensoren tussen de epitheelcellen (9.1.1; 13.2)
reukzin vermogen om te ruiken (13.2)
RhD-antistoffen antistoffen tegen resuspositief bloed (6.10)
ribonucleïnezuur RNA; een bepaald type nucleïnezuur, opgebouwd uit ribose, fosforzuur en vier stikstofbasen (adenine, uracil, cytosine en guanine) (2.2.3)
ribose een monosacharide (enkelvoudige suiker) (7.1.1)
ribosomaal-RNA RNA in ribosomen, dat een essentiële rol speelt bij de eiwitsynthese (2.4.2)
ribosomaal-RNA rRNA; RNA van het ribosoom (2.2.3)
ribosomen bolvormige organellen, los in het cytoplasma of gebonden aan de buitenmembraan van het endoplasmatisch reticulum; spelen een essentiële rol bij de eiwitsynthese (2.2.3)
rigor mortis lijkstijfheid; begint zo'n twee tot drie uur nadat het leven geweken is (18.4)
rillen kortdurende, ongecoördineerde contracties van de skeletspieren (10.4.3)
RNA ribonucleïnezuur; een bepaald type nucleïnezuur, opgebouwd uit ribose, fosforzuur en vier stikstofbasen (adenine, uracil, cytosine en guanine) (2.2.3)
rode pulpa reticulair bindweefsel in de milt; bevat veel rode bloedcellen (6.6.2)
rodopsine gezichtspurper of staafjesrood; fotopigment van de staafjes in het netvlies (13.5.3)
rolgewricht gewricht waarvan de kop de vorm van een ronde schijf heeft; maakt bewegingen rond de lengteas mogelijk (14.2.3)
ronde venster met een vlies afgesloten ronde opening tussen het vestibulum en het middenoor (13.6.1)
röntgenstraling X-straling; onzichtbare elektromagnetische trillingen met een korte golflengte (1.2.2)
rubor roodheid; een van de ontstekingsverschijnselen (6.9.1)
ruffinilichaampjes huidsensoren; vermoedelijk warmtesensoren (13.4)
ruggenmergreflex via het ruggenmerg verlopende reflex (12.10.2)
ruggenmergsegment deel van het zenuwstelsel dat zich in en rond één ruggenwervel bevindt (12.9)
rustpotentiaal membraanpotentiaal van de zenuwcel wanneer deze niet geprikkeld wordt (-70 mV) (12.4.4)
rustsysteem gezamenlijke functies van het parasympathische zenuwstelsel die erop gericht zijn het lichaam te ontspannen, voedselreserves aan te vullen en weefsels te herstellen en op te bouwen (12.10.2)