Van Pacinilichaampjes tot Pyrogenen

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

pacinilichaampjes huidsensoren; mechanosensoren gevoelig voor drukveranderingen op de huid (13.4)
palatum durum harde gehemelte; voorste, benige deel van het gehemelte (7.2.2)
palatum molle zachte gehemelte; achterste, uit spier- en bindweefsel bestaande deel van het gehemelte (7.2.2)
palatum gehemelte; vormt samen met de bovenkaak het monddak (7.2.2)
palmairflexoren spieren in de onderarm die de palmairflexie van hand en vingers mogelijk maken (14.6.4)
palpatie met de vingers aftasten van het lichaamsoppervlak (1.2.2)
palpebrae oogleden; dunne huidplooien zonder onderhuids vetweefsel; beschermen de voorkant van de ogen (13.5.4)
pancreas alvleesklier; is zowel spijsverteringsklier (pancreassap) (7.3.1) als hormoonklier (insuline en glucagon) (11.6)
pancreassap door de pancreas aan het duodenum afgegeven spijsverteringssap; bevat o.a. water, slijm, natriumcarbonaat, amylase, lipase en trypsinogeen (7.2.6)
papil van Vater bultje in de wand van de twaalfvingerige darm op de plaats waar de ductus pancreaticus (alvleesklierbuis) en de ductus choledochus (galbuis) uitmonden (7.2.6; 7.3.1)
papilla mammae tepel van de vrouwenborst (10.2.4)
papillae dermis dermale papillen; uitstulpingen van bindweefsel vanuit de stratum papillare van de dermis; steken uit in de epidermis (10.2.2)
papillae filiformes draadvormige papillen; dunne uitsteeksels vooral aan de randen van het tongoppervlak; bevatten smaaksensoren (13.3)
papillae fungiformes paddenstoelvormige papillen; bolvormige papillen verspreid over het tongoppervlak; bevatten smaaksensoren en druk-, tast- en temperatuursensoren (13.3)
papillae linguales smaakpapillen in het tongoppervlak; bevatten smaaksensoren (7.2.2; 13.3)
papillae vallatae omwalde papillen; grote papillen op de tongbasis; bevatten smaaksensoren (13.3)
parasympathicus parasympatische systeem; deel van het autonome zenuwstelsel dat spijsverteringsactiviteiten stimuleert met als doel rust, herstel en opbouw van de weefsels (12.10.1)
parasympathische zenuwstelsel deel van het autonome zenuwstelsel dat zorgt voor rust en opbouw van het lichaam; antagonist van het sympathische zenuwstelsel (12.3.2; 12.11.2)
parathyroïd hormoon PTH of parathormoon, door bijschildklier geproduceerd hormoon; stimuleert vrijmaking van calcium uit de botten, calciumresorptie vanuit de darm en reabsorptie van calcium vanuit de voorurine (8.1.4; 11.6)
pariëtale blad buitenste van de twee sereuze vliezen waarmee de meeste organen in borst- en buikholte omgeven zijn (5.6.3)
pars prostatica het gedeelte van de urethra (urinebuis) dat in de prostaat ligt (8.3.3; 15.3.5)
pars pylorica antrum; maaguitgang; het laatste deel van de maag aansluitend op het duodenum (7.2.5)
pars spongiosa deel van de urethra (urinebuis) dat in het corpus spongiosum (een zwellichaam) van de penis ligt (8.3.3; 15.3.4)
partiële druk druk die een gas in een gasmengsel uitoefent; is recht evenredig met de concentratie van dat gas in het gasmengsel (9.2)
partus bevalling, baring, geboorte (17.3)
passageaire stoffen stoffen die tijdelijk in het bloedplasma zitten (6.4.2)
passief transport stoffentransport die de cel geen energie kost (2.2.2)
passieve immunisatie iemand onvatbaar maken tegen een bepaalde ziekteverwekker door antistoffen in het lichaam te brengen (6.9.3)
passieve vullingsfase rustfase van het hele hart; atria en ventrikels zijn ontspannen; er heerst onderdruk in de atria, waardoor bloed via de holle aders en de longaders de atria instroomt (6.2.1)
patella knieschijf (14.5.4)
pathogenen ziekteverwekkers (6.7.1)
pedikels uitlopers van de podocyten van de glomerulusmembraan (8.1.3)
pedunculi cerebellares zenuwbundels tussen het cerebellum (kleine hersenen) en de pons (12.8)
pedunculi cerebri hersenstelen; dikke zenuwbundels vanuit de middenhersenen naar delen van de grote hersenen (12.7.1)
peessensoren mechanosensoren in de vezels van spierpezen; nemen de trekspanning in de pees waar (13.7.3)
pelvis major het grote bekken; ruimte in het bekken die begrensd wordt door de ossa ilii (darmbeenderen) (14.5.3)
pelvis minor het kleine bekken; ruimte in het bekken onder de bekkeningang (14.5.3)
pelvis renalis pyelum of nierbekken; centrale holte van de nier (8.1.1; 8.3.1)
pelvis bekken; groot ringvormig botstuk, opgebouwd uit twee ossa coxae (heupbeenderen) en het os sacrum (heiligbeen) (14.5.3)
penetratie het inbrengen van de penis in de vagina (15.6)
pepsine een protease; splitst eiwitten in polypeptideketens (7.1.3; 7.2.5)
pepsinogeen inactief voorstadium van pepsine; zit in maagsap (7.2.5)
peptidebinding koppeling tussen twee aminozuren (7.1.3)
peptidehormonen hormonen die aan specifieke receptoren op de buitenkant van het celoppervlak binden; door de binding verandert de celactiviteit (o.a. insuline en groeihormoon) (11.1.1)
percussie de buitenkant van het lichaam bekloppen om uit de hoogte van de toon een indruk van het onderliggende weefsel te krijgen (1.2.2)
pericard pericardium of hartzakje; pariëtale blad (buitenblad) en viscerale blad (epicard) rond het hart (4.6.3; 6.1.4)
pericardholte zeer smalle ruimte tussen beide sereuze vliezen rond het hart; bevat sereus vocht (4.6.3; 6.1.2)
pericardium pericard of hartzakje; pariëtale blad (buitenblad) en viscerale blad (epicard) rond het hart (4.6.3; 6.1.4)
perifeer zenuwstelsel deel van het zenuwstelsel dat buiten de schedel en de wervelkolom ligt (12.2.1)
perifeer aan de uiteinden; tegengesteld aan centraal (in het midden) (4.3)
perifere weerstand weerstand die de bloedstroom in het bloedvat ondervindt, o.a. door de viscositeit van het bloed en door de wrijving van het bloed met de vaatwanden (6.5)
perifere zenuwstelsel deel van het zenuwstelsel dat buiten de schedel en de wervelkolom ligt (12.3.1)
perilymfe lymfeachtige vloeistof in het benige labyrint van het binnenoor (13.6.1)
perimetrium buitenste laag van de uterus; bestaat uit peritoneum viscerale (15.2.4)
perimysium bindweefselmantel rond een spierbundel (14.6.1)
perineum bilnaad; huidplooi tussen de anus en de uitwendige geslachtsorganen (15.2.1)
perineurium bindweefselmantel rond een zenuwbundel (12.4.3)
periost beenvlies; bestaat uit straf bindweefsel, met veel bloedvaten en zenuwen (3.2.3; 14.1.1)
perirenaal vet vetlaag rondom nier en bijnier (8.1)
peristaltiek golfbeweging van de darmwand, veroorzaakt door contractie en ontspanning van kring- en lengtespieren in de wand (7.2.1)
peritoneale ruimten ruimte tussen de beide bladen van het peritoneum (7.4.3)
peritoneum parietale pariëtale blad; buitenblad van het buikvlies; is vergroeid met de buikwand (5.6.3; 7.4)
peritoneum viscerale viscerale blad; binnenblad van het buikvlies; omhult de meeste buikorganen geheel of gedeeltelijk (4.6.3; 7.4)
peritoneum buikvlies; pariëtale blad (buitenblad) en viscerale blad (binnenblad) rond de buikorganen (4.6.3; 7.4)
peritoneumholte ruimte tussen viscerale en parietale blad van het peritoneum; bevat sereus vocht (7.4)
permeabel doorlaatbaar voor stoffen (2.2.2)
permeabiliteit doorlaatbaarheid (12.4.4)
perspiratie transpiratie; het uitscheiden van zweet (10.2.4)
pes voet (14.5.4)
peuterfase levensfase van de mens tussen het eerste en derde levensjaar (18.2)
peyerplaques verzameling vrij grote lymfeknopen, verspreid in de wand van de dunne darm (6.8.2)
pharynx keelholte; ruimte vanaf de neus- en mondholte tot aan strottenhoofd en slokdarm (7.2.3; 9.1.2)
pH-buffer chemische stof die de zuurgraad op een bepaald niveau houdt door ofwel waterstofionen weg te vangen ofwel waterstofionen toe te voegen; in het lichaam is de pH-waarde 7,4 (6.4.2)
pia mater zachte vlies of vaatvlies; dunne laag, goed doorbloed bindweefsel die de hersenen en het ruggenmerg omgeeft (12.12.3)
pijlnaad bij de zuigeling nog niet verbeende naad tussen de beide voorhoofdsbeenderen; verbeent in de vroege jeugd, is tot het 40ste levensjaar zichtbaar (16.4.9)
pijnzin het vermogen om pijn waar te nemen (13.4)
pijpbeenderen langwerpige, slanke botten met verbrede uiteinden, die rood beenmerg bevatten (14.1.3)
pinealocyten gespecialiseerde cellen in de epifyse cerebri (pijnappelklier) die het hormoon melatonine maken (11.4)
pinocytose endocytose van vloeibare deeltjes (2.2.2)
plaatjesfactor stollingsfactor afkomstig uit kapotte trombocyten (6.6.3)
placenta moederkoek; verbindingsorgaan tussen moeder en ongeboren kind; ontstaat uit het endometrium (baarmoederslijmvlies) en de trofoblast (embryonaal weefsel) (16.4.1; 17.1)
plantaire flexie beweging van voet en tenen in de richting van de voetzool; tegengesteld aan dorsale flexie (beweging in de richting van de voetrug) (4.4)
plasma bloedplasma; bloedvloeistof, de matrix van bloed; bevat alle stoffen van het bloed behalve de erytrocyten, leukocyten en de trombocyten (3.2.4; 6.6.4)
plasmacellen lymfocyten die door klonale expansie uit B-lymfocyten ontstaan zijn en die allemaal dezelfde antistof maken (6.9.2)
plasma-eiwitten alle eiwitten die in het bloedplasma zitten; hebben zeer uiteenlopende functies; zorgen gezamenlijk voor de colloïd-osmotische waarde en de viscositeit van het bloed en spelen een rol bij de bufferwerking (6.6.4)
plateaufase periode tijdens de paring waarin de penis ritmisch heen en weer bewogen wordt in de vagina (15.6)
platte beenderen zeer platte botten met uiteenlopende lengte en breedte (14.1.3)
pleura parietalis borstvlies; pariëtale blad van de pleura; vergroeid met de binnenkant van de borstkas (4.6.3; 9.1.8)
pleura visceralis longblad of viscerale blad; vergroeid met de buitenkant van de longen (46.3; 9.1.8)
pleura longvlies; pariëtale blad (borstvlies) en viscerale blad (longblas) rond de longen (4.6.3; 9.1.8)
pleuraholte ruimte tussen borstvlies en longblad; bevat sereus vocht (4.6.3; 9.1.8)
pleurasinus ruimte tussen het diafragma en de longen waarin zich wel de pleura parietalis bevindt, maar geen longweefsel (9.1.8)
plexus brachialis perifeer zenuwnetwerk voor de armen en schoudergordel (12.9.3)
plexus cervicalis perifeer zenuwnetwerk voor het halsgebied (12.9.3)
plexus cervicobrachialis plexus cervicalis en brachialis tezamen (12.9.3)
plexus choroideus zeer bloedvatrijk deel van de pia mater waar deze contact maakt met de hersenventrikelwand; hier wordt hersenvocht geproduceerd (12.13.2)
plexus lumbosacralis perifeer zenuwnetwerk voor de benen (12.9.3)
plexus (1) netwerk van zenuwen; (2) netwerk van bloedvaten (12.9.3; 12.13.2)
podocyten gespecialiseerde epitheelcellen van de glomerulusmembraan in een nefron bestaat; grote cellen met lange uitlopers (8.1.3)
polsgolf het met golven verplaatst worden van het bloed in het arteriële vaatstelsel; op bepaalde plekken uiterlijk waarneembaar (6.4.1)
polysachariden meervoudige suikers; ketens van tientallen tot duizenden monosachariden (7.1.1)
polysynaptische reflex reflex waarbij de sensorische impulsen in het ruggenmerg via een of meerdere interneuronen (schakelneuronen) overgeschakeld worden op de motorische zenuwvezel (er zijn dus meerdere synapsen nodig); verloopt iets trager dan de monosynaptische reflex (12.10)
pons verdikte deel in het midden van de hersenstam; bestaat voornamelijk uit dwars verlopende zenuwvezels (12.7.2)
poollichaampje zeer kleine haploïde cel die bij de oögenese na meiose I of meiose II ontstaat; gaat te gronde (154.2)
portale circulatie twee in serie op elkaar aangesloten capillairnetwerken (6.4.3)
portio het in de vagina uitstekende deel van de cervix (baarmoederhals) (15.2.4)
positieve adaptatie het gevoeliger worden van sensoren na langer blootstelling aan de adequate prikkel (13.1.2)
posterior aan de achterzijde; tegengesteld aan anterior (aan de voorzijde) (4.3)
PQ-segment in het ECG zichtbare fase tussen de atriasystole en de ventrikelsystole; weerspiegelt de vertraagde prikkelgeleiding in de AV-knoop (6.2.3)
prefrontale cortex schorsgebied vóór de premotorische schors van de grote hersenen (12.5.3)
prematuur gezegd van een kind dat meer dan drie weken eerder geboren wordt dan de uitgerekende datum (16.3)
premotorische schors secundaire motorische schors; groot deel van de hersenschors dat zich voor de primaire motorische schors bevindt (12.5.3)
preperitoneaal voor het peritoneum gelegen (alleen van toepassing op de gevulde urineblaas) (4.6.3)
preperitoneale organen organen die voor het peritoneum liggen (7.4.1)
preputium clitoridis voorhuid van de kittelaar, stukje huid dat de glans clitoridis bedekt en tegelijk beide kleine schaamlippen aan elkaar verbindt (15.2.1)
preputium penis voorhuid; ruime huidomslag rond de glans penis (15.3.1)
prevertebrale ganglia sympathische zenuwknopen in de buikholte (12.11.1)
prikkel een kortdurende verandering in het inwendige milieu rond de cel, waardoor de elektrische verschijnselen van de celmembraan van die cel kortdurend veranderen (12.4.4)
prikkeldrempel de laagste prikkelsterkte die nog een depolarisatie van de zenuwcelmembraan tot gevolg heeft (13.1.2)
primaire auditieve schors een afgegrensd sensorisch schorsgebied in de grote hersenen; hier komen de impulsen vanuit het gehoorzintuig aan (12.5.3)
primaire geslachtskenmerken geslachtskenmerken die vanaf de geboorte aanwezig zijn (15.1)
primaire geuren de zeven basisgeuren die elk door een specifieke reuksensor waargenomen worden (13.2)
primaire hemostase propvorming door ophoping van trombocyten aan de wondranden; de eerste fase van de bloedstolling (6.6.3)
primaire immuunreactie klonale expansie, gevolgd door de productie van immunoglobulinen; gebeurt na de eerste blootstelling aan een ziekteverwekker (6.9.2)
primaire motorische schors schorsgebied van de gyrus precentralis dat de animale motoriek verzorgt (12.5.3)
primaire oöcyten de cellen die na meiose I uit de kiemcellen in het oögonium ontstaan (15.4.2)
primaire sensorische schors schorsgebied van de gyrus postcentralis; hier komen de impulsen vanuit de huidzintuigen en de proprioceptieve sensoren aan (12.5.3)
primaire spermatocyten de cellen die na mitose uit de spermatogonia (kiemcellen) in de wand van de zaadbuisjes ontstaan (15.4.3)
primaire visuele schors een afgegrensd sensorisch schorsgebied in de grote hersenen; hier komen de impulsen vanuit het gezichtszintuig aan (12.5.3)
processus articulares gewrichtsuitsteeksels op het wervellichaam; twee onder en twee boven (14.4.1)
processus mastoideus mastoïd; uitsteeksel van het os temporale, van buiten voelbare knobbel achter het oor (14.3.1)
processus spinosus doornuitsteeksel; naar achteren uitstekend deel van de wervelboog (14.4.1)
processus transversi dwarsuitsteeksels; twee naar lateraal gerichte uitsteeksels van de wervelboog; aan iedere kant een (14.4.1)
processus xiphoideus zwaardvormig uitsteeksel; onderste, driehoekige punt van het borstbeen (14.4.2)
processus uitsteeksel (14.4.1)
proconvertine stollingsfactor VII in het bloedplasma; zet protrombine om in trombine (6.6.3)
profundus diep; tegengesteld aan superficialis (oppervlakkig) (5.3)
progesteron zwangerschaps(beschermend)hormoon; door het ovarium (eierstok) gevormd hormoon; stimuleert groei en doorbloeding van het endometrium (baarmoederslijmvlies) om het geschikt te maken voor innesteling van een bevruchte eicel; bij zwangerschap houdt progesteron het goed doorbloede endometrium in stand (11.9)
prolactine lactotroop hormoon of LTH; door de adenohypofyse geproduceerd hormoon, stimuleert ontwikkeling van het borstklierweefsel en lactatie (melkproductie na de bevalling) (11.3.2)
proliferatiefase opbouwfase; 2e fase in de menstruele cyclus, van de 5e tot de 15e dag, waarin het endometrium (baarmoederslijmvlies) dikker wordt en een betere doorbloeding krijgt (15.5.1)
promontorium vrij scherpe knik naar voren tussen de onderste lumbale wervel en het os sacrum (heiligbeen) (14.4.1)
pronatie naar binnen draaien van de hand of voet; in horizontale stand van de onderarm wijst de handpalm/voetzool naar beneden; tegengesteld aan supinatie (4.4)
propriosensoren sensoren in spieren, pezen, gewrichten en het evenwichtsorgaan; houden het centrale zenuwstelsel op de hoogte van stand en bewegingen van (delen van) het lichaam (13.1.1; 13.7)
prosecretine voorstadium van het hormoon secretine, door bepaalde cellen in de duodenumwand geproduceerd (7.2.5; 11.9)
prostaat voorstanderklier; omsluit een deel van de urethra bij de man; produceert licht zure vloeistof die tijdens de ejaculatie aan de zaadcellen wordt toegevoegd (15.3.4)
prostaglandines groep weefselhormonen met uiteenlopende plaatselijke effecten op de nabijgelegen weefselcellen (11.10; 17.3)
proteasen eiwitafbrekende enzymen (7.1.3; 7.2.6)
proteïne eiwit (7.1.3)
protoplasma cytoplasma; geleiachtig vocht in de cel inclusief de organellen (2.2)
protrombine stollingsfactor II in het bloedplasma; wordt in de stollingscascade omgezet in trombine (6.6.3)
proximaal dichtbij de romp; tegengesteld aan distaal (ver van de romp) (4.3)
proximale tubulus tubulus contortus I of gekronkeld buisje van de 1ste orde; eerste gekronkelde deel van het nierkanaaltje na de glomerulus; ligt in de nierschors (8.1.3)
P-top in het ECG zichtbare atriumsystole; weerspiegelt de elektrische activiteit van de sinusknoop (6.2.3)
ptyaline speekselamylase; zetmeel afbrekend enzym in speeksel (7.2.2)
puberteitsfase levensfase van de mens tussen het 12e en 16e jaar (18.2)
puerperium kraambedperiode (17.5)
pulmonalisklep valva trunci pulmonalis; de drie valvulae seminulares (halvemaanvormige slippen) tussen rechterventrikel en longslagaders (6.1.3)
pupil ronde opening midden in de iris (13.5.1)
pupilreflex reflexmatig verwijden en vernauwen van de diameter van de pupil om meer respectievelijk minder licht op het netvlies te laten vallen (12.10.1; 13.5.1)
purkinjevezels prikkelgeleidende hartspiercellen in het myocard van de ventrikels (6.1.4)
pus etter; kan ontstaan bij een ontsteking; bestaat uit dode leukocyten, dode weefselcellen, (dode) pathogenen en weefselvocht (6.9.1)
pyelum nierbekken of pelvis renalis; centrale holte van de nier (8.1.1; 8.3.1)
pylorus maagportier, met in de wand de m sphincter pylori (7.2.5)
pylorusreflex reflectorisch sluiten van de m. sphincter pylori; de prikkel is de zure chymus uit de maag (7.2.5)
pyrogenen koorts veroorzakende stoffen; kunnen zowel door bacteriën afgegeven worden als door granulocyten en macrofagen (6.9.1)