Van Occlusie tot Oxytocine

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

occlusie het op elkaar passen van de onder- en bovenkaak (7.2.2)
oddisfincter sluitspier in de papil van Vater die opent wanneer er chymus in het duodenum zit (7.2.6)
oerdarm eerste embryonale aanleg van het spijsverteringsstelsel (16.2.2)
oernier embryonale nier, ontstaat uit de voornier en ontwikkelt zich vanaf de achtste week tot de definitieve nier (16.4.3)
oesophagus slokdarm (7.2.4)
oestradiol door het ovarium (eierstok) gevormde oestrogeen hormoon; stimuleert groei en ontwikkeling van primaire en secundaire geslachtskenmerken (11.9)
oestrogene fase proliferatiefase of opbouwfase; 5de tot 15de dag in de menstruele cyclus; kenmerkt zich door verdikking van het endometrium en toename van klierweefsel daarin (15.5.1)
oestrogene hormonen vrouwelijke geslachtshormonen (11.8; 15.5.1)
oestrogenen vrouwelijke geslachtshormonen (11.8.1)
olecranon ellepijpshoofd; plat breed uiteinde van de ulna (ellepijp) in het ellebooggewricht (14.5.2)
olfactorische cortex secundair schorsgebied waar reukwaarneming plaatsvindt (12.5.3)
oliën vloeibare onverzadigde vetten (7.1.2)
oligodendrocyten klein type gliacellen in het CZS met enkele tot tientallen uitlopers, die rond nabijgelegen axonen gewikkeld zijn; dit omhulsel bevat myeline (12.3.2)
olivae olijfkernen; schakelcentra voor het gehoor en evenwicht in de medulla oblongata (verlengde merg) (12.7.3)
omentum majus grote net; grote plooi van het peritoneum (buikvlies), vanaf de maag tot onder in de buikholte en weer terug (7.3.2; 7.4.2)
omentum minus kleine net; plooi van het buikvlies tussen maag en lever (7.3.2; 7.4.2)
omkeerlens de brekende media in het oog; gezamenlijk werken ze als een lens die het beeld heel klein en onderste boven op de retina (netvlies) projecteren (13.5.3)
onderhuids vetweefsel grote hoeveelheden vetcellen in de subcutis (onderhuids bindweefsel) (10.2.3)
onderste extremiteiten bekkengordel, benen en voeten tezamen (4.5)
onderste hoorns naar beneden stekende punten van het schildkraakbeen van het strottenhoofd (9.1.4)
onderste spronggewricht gewricht tussen talus (sprongbeen), calcaneus (hielbeen) en os naviculare (14.5.4)
onregelmatige beenderen beenderen met variërende vormen die niet behoren tot pijpbeenderen, platte of korte beenderen (14.1.3)
ontsluiting (1) het proces dat het baringskanaal geschikt maakt voor de geboorte van het kind; (2) de diameter van het zich ontsluitende ostium urteri (baarmoedermond) (17.3.1)
ontsluitingsweeën contracties van de uterus gedurende de ontsluitingsfase (17.3.1)
ontspanningsfase periode van ontspanning na het orgasme (15.6)
ontsteking inflammatio; reactie van een weefsel op beschadiging (6.9.1)
ontstekingsmediatoren stoffen die door beschadigde weefselcellen afgegeven worden; spelen een rol bij de afweer en het ontstaan en later genezen van een ontsteking (6.9.1; 11.10)
onvoorwaardelijke reflexen treden altijd bij dezelfde prikkels op; zijn al bij de geboorte aanwezig (12.10)
onwillekeurig spierweefsel spierweefsel dat door het autonome ofwel vegetatieve ofwel onwillekeurige zenuwstelsel wordt aangestuurd (3.3)
onwillekeurige zenuwstelsel autonome zenuwstelsel of vegetatieve zenuwstelsel; reguleert de integratie van de vegetatieve orgaanstelsels (12.3.1)
oögenese eicelontwikkeling, van oögonium tot rijpe eicel (15.4.2)
oogharen wimpers; haren in de rand van de oogleden (13.5.4)
oögonium primordiale eicel; kiemcel waaruit later een eicel ontwikkelt; ontstaat in de vierde week van de embryonale ontwikkeling (15.4.2)
opponeren het tegenover de vingers van dezelfde hand elkaar plaatsen van de duim; tegengesteld aan reponeren (4.4)
opstijgende banen zenuwvezels binnen het centrale zenuwstelsel die afferente impulsen vervoeren (12.3.2)
optimumtemperatuur de meest geschikte temperatuur (2.1)
optische as de denkbeeldige lijn van voor naar achter precies door het midden van de oogbol (13.5.1)
opvliegers een soort blozen over het hele lichaam, gepaard gaand met een sterk warmtegevoel; komen vooral tijdens de menopauze veelvuldig voor (18.3.10)
opwindingsfase periode voorafgaand aan de paring, met als doel vagina en penis gereed te maken voor de eigenlijke paring (15.6)
orbitae oogkassen; benige omhullingen van de oogbol gevormd door delen van botstukken van de aangezichtsschedel en de hersenschedel (13.5.4; 14.3.2)
orgaan van Corti mechanosensorische deel van het gehoorzintuig; ligt op het membrana basilaris in het binnenoor (13.6.1)
organellen functionele structuren in de cel, omgeven door een plasmamembraan (2.2)
organisch geeft aan dat een stof door een organisme is gemaakt (7.1)
organogenese de aanleg van de orgaanstelsels gedurende de embryogenese (embryonale ontwikkeling) (16.2)
orgasme fase van de paring waarbij de seksuele opwinding tot een climax komt; gaat gepaard met ritmische contracties van bekkenbodem en geslachtsorganen; resulteert bij de man in ejaculatie (15.6)
orgastische fase periode van de paring waarin het orgasme plaatsvindt (15.6)
origo plaats waar een spier met een pees aan het bot vastzit; bij de spierfysiologie als oorsprong van de beweging aangeduid (14.6.1)
oropharynx mond-keelholte (7.2.3)
os coccygis staartbeen; bestaat uit vier vergroeide staartbeenwervels (14.4.1)
os coxae heupbeen; bestaat uit drie vergroeide botstukken: os ilium (darmbeen),os isschii (zitbeen) en os pubis (schaambeen) (14.5.3)
os ethmoidale etmoïd; grillig verlopend schedelbeen aan de schedelbasis; vormt het dak van de neusholte; bevat veel kleine holten voor de fila olfactoria (9.1.1; 14.3.1)
os frontale voorhoofdsbeen; vormt de voorkant van de schedel en het dak van de oogkassen (14.3.1)
os hyoideum tongbeen; hoefijzervormig botstuk aan de basis van de tong (7.2.1; 9.1.4)
os ilium darmbeen; groot schaalvormig botstuk van het os coxae (heupbeen) (14.5.3)
os ischii zitbeen; naar achteren en onderen uitstekende botstuk van het os coxae (heepbeen) (14.5.3)
os lacrimale traanbeen; klein botstuk aan de mediale kant van de oogkas (14.3.2)
os naviculare voetwortelbeen distaal van de talus (sprongbeen) (14.5.4)
os occipitale achterhoofdsbeen; vormt de achterkant van de schedel; heeft foramen magnum (grote achterhoofdsgat) en achterhoofdsknobbels (14.3.1)
os parietale wandbeen; vormt de bovenkant en een groot deel van de zijkant van de schedel (14.3.1)
os petrosum rotsbeen; naar binnen uitstekend deel van het os temporale (slaapbeen); bevat het benige labyrint van het evenwichtzintuig (14.3.1)
os pubis schaambeen; naar voren en onderen uitstekend botstuk van het os coxae (heupbeen) (14.5.3)
os sacrum heiligbeen; wigvormig botstuk, dat uit vijf vergroeide heiligbeenwervels bestaat (14.4.1)
os sphenoidale sfenoïd; botstuk in het midden van de schedelbasis (9.1.1; 14.3.1)
os temporale slaapbeen; vormt een deel van de zijkant en van de schedelbasis (14.3.1)
os zygomaticum jukbeen; laterale botstuk van de oogkas (14.3.2)
os (1) mond (7.2.2); (2) bot, been (14.1.1)
osmoregulatie regulatie van stabiele osmotische waarden in bloed en weefselvocht door hormonaal en neuraal gestuurde water- en zoutenuitscheiding door de nieren (8.1.5)
osmose diffusie van water via een semipermeabele membraan (2.2.2)
ossa carpi handwortelbeenderen; korte beenderen in de hand in twee rijen van 4 (14.5.2)
ossa digitorum manus vingerkootjes; korte pijpbeenderen, 2 in de duim en 3 in de overige vingers (14.5.2)
ossa digitorum pedis teenkootjes; korte pijpbeenderen, 2 in de grote teen en 3 in de overige tenen (14.5.4)
ossa metacarpi middenhandsbeenderen; vijf korte pijpbeenderen in de hand tussen de handwortelbeenderen en de vingerkootjes (14.5.2)
ossa metatarsi middenvoetsbeenderen; vijf korte pijpbeenderen in de voet tussen de voetwortelbeenderen en de teenkootjes (14.5.4)
ossa nasales neusbeentjes; vormen het harde deel van de neusrug (14.3.2)
ossa tarsi voetwortelbeenderen; 7 korte beenderen in de voet (14.5.4)
ossa beenderen, botten; enkelvoud os (14.4.1)
osteoblasten beenweefsel vormende bindweefselcellen (14.1.1)
osteoclasten beenweefsel afbrekende bindweefselcellen (14.1.1)
osteocyten botcellen (14.1.1)
osteon botbuis; buisvormige structuur bestaande uit een aantal concentrische lagen beenweefsel rond een haverskanaal (3.2.3; 14.1.1)
osteoporose het poreus worden van de botten als gevolg van demineralisatie van de substantia compacta (18.3.9)
ostium uteri baarmoedermond; opening van de cervix (baarmoederhals) naar de vagina (15.2.4)
otolieten kalkhoudende korrels in utriculus en sacculus in het vliezige labyrint (13.7.1)
ouderdomsverziendheid op latere leeftijd kan de ooglens niet meer goed bol worden gemaakt, waardoor het nabijheidspunt verder van de ogen komt te liggen (er is een leesbril nodig) (18.3.8)
ovale venster plaats waar de ovaalvormige achterkant van de stapes (stijgbeugel) op het binnenoor aansluit (13.6.1)
ovaria eierstokken; vrouwelijke gonaden (geslachtsklieren); produceren rijpe eicellen en vrouwelijke hormonen (15.2.2)
ovariële cyclus het eens in de vier weken rijpen van een eifollikel in het ovarium (15.5.2)
overgangsepitheel enkele lagen epitheelcellen die bij rekking plat worden; het epitheel krijgt hierdoor een bepaalde elasticiteit zonder te scheuren (3.1.2)
ovulatie eisprong; het vrijkomen van een secundaire oöcyt uit het rijpe eifollikel in het ovarium (15.2.2)
oxytocine door de hypothalamus geproduceerd hormoon dat via de neurohypofyse aan het bloed wordt afgegeven; doet uterus en melkklieren contraheren en versterkt de band tussen moeder en kind en in het algemeen tussen geliefden (knuffelhormoon)(11.3.1; 17.3)