Van Na/K-pomp tot Nucleus

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

Na/K-pomp natrium- en kaliumtransport via de celmembraan; door middel van actief transport (enzymatisch) worden Na-ionen buiten de cel gebracht en K-ionen naar binnen met als doel de rustpotentiaal te handhaven of te herstellen (12.4.4)
nabijheidspunt de afstand waarbij het oog een voorwerp nog net scherp op het netvlies kan projecteren (13.5.3)
naevus maternus moedervlek (10.2.1)
nageboorte (1) fase van de bevalling waarin de placenta wordt uitgedreven; (2) geheel van placenta, navelstreng en vliezen die na de geboorte van het kind wordt uitgedreven (17.3.3)
nagel een uit enkele lagen keratine bestaande epidermale structuur aan de vinger- en teentoppen (10.2.4)
nagelbed deel van cutis onder de nagel, bestaande uit stratum germinativum (kiemlaag); de nagel zit daar grotendeels aan vast (10.2.4)
nagelmatrix nagelwortel; dubbelgeklapte plooi van de stratum germinativum (kiemlaag) aan de basis van het nagelbed van waaruit de nagel groei (10.2.4)
nagelriem huidplooi aan de basis van de nagelwal (10.2.4)
nagelwal huidplooi aan de zijkanten en basis van de nagel (10.2.4)
nasopharynx neus-keelholte; deel van de pharynx achter de neusholte (7.2.3)
natriumbicarbonaat belangrijke buffer in bloed (6.4.2) en in pancreassap (7.2.6)
natriuminflux het massaal binnenstromen van natriumionen in de cel (12.4.2)
natriuretische peptiden weefselhormonen van hartspiercellen; worden afgegeven zodra de hartwand uitrekt; remmen de afgifte van renine en werken daardoor bloeddrukverlagend (8.1.5)
naturalkillercellen lymfocyten die door virussen geïnfecteerde cellen en abnormale lichaamscellen vernietigen (6.9.1)
naweeën contracties van de uterus post partum (na de bevalling) (17.5)
nefron functionele niereenheid, bestaande uit glomerulus, kapsel van Bowman en aansluitend tubulair systeem (8.1.3)
negatieve adaptatie het bij aanhoudend prikkelen van een sensor ongevoeliger worden van de sensor (13.1.2)
neonatale fase eerste ongeveer vier weken durende levensfase van de mens (18.2)
neonatus pasgeborene (17.4.2)
nervi accelerantes sympathische zenuwen die het sinusritme van het hart versnellen (6.1.4)
nervi craniales hersenzenuwen; 12 paar zenuwen die ventraal ontspringen aan de hersenstam (12.7.5)
nervi intercostales tussenribspierzenuwen (9.3.3)
nervi thoracici thoracale ruggenmergzenuwen (12.9.3)
nervi zenuwen (12.4.3)
nervus abducens zesde hersenzenuw; motorische zenuw, die buitenste rechte oogspier innerveert (12.7.5)
nervus accessorius hulpzenuw, elfde hersenzenuw; motorische zenuw die spieren in nek en hals innerveert (12.7.5)
nervus facialis aangezichtszenuw, zevende hersenzenuw; gemengde zenuw (12.7.5)
nervus femoralis dijzenuw; verzorgt sensoriek en motoriek van been en voet (12.9.2)
nervus glossopharyngeus tong-keelzenuw, negende hersenzenuw; gemengde, sterk vertakte zenuw die diverse delen van mond, tong, keel en strottenhoofd innerveren (12.7.5)
nervus hypoglossus ondertongzenuw, twaalfde hersenzenuw; motorische zenuw die de tongspieren aanstuurt (12.7.5)
nervus ischiadicus heupzenuw; verzorgt sensoriek en motoriek van been en voet (12.9.2)
nervus laryngeus recurrens vertakking van de N. vagus; zenuw met parasympatische en motorische vezels; innerveert de strottenhoofdspieren (9.1.4)
nervus medianus middenzenuw; verzorgt sensoriek en motoriek van arm en hand (12.9.2)
nervus octavus N. vestibulocochlearis, N. statoacusticus; achtste hersenzenuw; sensibele zenuw vanuit het evenwichts- en gehoororgaan (12.7.5)
nervus oculomotorius derde hersenzenuw; zenuw met motorische en parasympatische vezels, die ooglidspieren en oogspieren innerveert (12.7.5)
nervus olfactorius reukzenuw, eerste hersenzenuw; sensibele zenuw die het reukslijmvlies innerveert (12.7.5)
nervus opticus oogzenuw, tweede hersenzenuw; sensibele zenuw die het netvlies innerveert (12.7.5)
nervus phrenicus middenrifzenuw; rompzenuw die sensoriek en motoriek van middenrif en pericard verzorgt (9.3.3; 12.7.5;12.9.3)
nervus radialis spaakbeenzenuw; verzorgt sensoriek en motoriek van arm en hand (12.9.2)
nervus spinalis ruggenmergzenuw; gemengde zenuw die een bepaald dermatoom en myotoom innerveert (12.9.3)
nervus trigeminus drielingzenuw, vijfde hersenzenuw; gemengde zenuw die delen van aangezicht, schedel, mondholte, tong en kauwspieren innerveren (12.7.5)
nervus trochlearis vierde hersenzenuw; motorische oogspierzenuw (12.7.5)
nervus ulnaris ellepijpzenuw; verzorgt sensoriek en motoriek van arm en hand (12.9.2)
nervus vagus zwervende zenuw; tiende hersenzenuw; sterk vertakte, gemengde zenuw met veel parasympatische vezels; innerveert veel organen of delen daarvan in mond- en keelholte en in borst- en buikholte (12.7.5)
nervus zenuw (12.4.3)
neurale buis embryonale structuur (in de vierde week van de embryonale ontwikkeling); groeit uit tot ruggenmerg (16.2.2)
neurale groeve instulping over de hele lengte van de kiemschijf (in de derde week van de embryonale ontwikkeling; wordt enkel dagen later de neurale buis (16.2.2)
neurilemma schede van Schwann; omhulling van de axon al of niet gevuld met myeline (3.4)
neurocranium hersenschedel; omsluit de hersenholte met de hersenen (14.3.1)
neuroglia het uit gliacellen bestaande steunweefsel van het zenuwstelsel (3.4; 12.4.2)
neurohypofyse hypofyseachterkwab; achterste deel van de hypofyse; bestuurt via neurosecretie de adenohypofyse (11.2.1)
neuron zenuwcel (3.4; 12.4.1)
neurosecretie proces waarbij in de hypothalamus gevormde hormonen via zenuwvezels aan de neurohypofyse afgegeven worden, waar ze opgeslagen en/of aan het bloed afgegeven worden (11.2.1)
neurosecretoire cellen gespecialiseerde zenuwcellen, die hormonen vervoeren en/of aan het bloed afgeven (11.1)
neurotransmitter chemische boodschapperstof van het zenuwstelsel; speelt een rol bij de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen of tussen de zenuwcel en de effector (spier of klier) (12.4.5)
neusgangen holten die door de conchae (neusschelpen) begrensd worden (9.1.1)
neutrofiele granulocyten microfagen; bepaald type leukocyten (65% van het totale aantal leukocyten); zijn in staat buiten de bloedbaan te treden en pathogenen op te ruimen (6.6.1; 6.9.1)
nidatie innesteling van het ongeveer 6 dagen oude embryo in het endometrium (baarmoederslijmvlies) (16.2.1)
nierhilum nierpoort (8.1)
nierkapsel dunne, buitenste laag van de nier; bestaat uit stevig bindweefsel (8.1.1)
nierpapil de in het nierbekken uitstekende uitmondingplaats van 3 tot 6 mergpiramiden (8.1.1)
niesreflex reflexmatig met kracht naar buiten stoten van lucht via de neusholte, bij prikkeling van het neusslijmvlies (9.3.3; 12.10.2)
niet-essentiële aminozuren aminozuren die het lichaam zelf kan maken en die daardoor niet in het voedsel hoeven te zitten (7.1.3)
niet-specifieke immuniteit afweer tegen alle typen ziekteverwekkers en lichaamsvreemde stoffen (6.9.1)
niet-verhoornend plaveiselepitheel meerlagig epitheel, waarvan de bovenste laag niet verhoornt; bevindt zich in slijmvlies van bijvoorbeeld de mond en de vagina (3.1.2)
nocisensoren sensoren die geprikkeld worden bij (dreigende) beschadiging en die een pijngewaarwording veroorzaken (13.1.1)
noradrenaline (1) norepinefrine uit het bijniermerg; brengt het lichaam in staat van paraatheid en werkt bloeddrukverhogend (6.5.5; 11.8.2); (2) exciterende neurotransmitter (12.4.5)
norepinefrine noradrenaline door het bijniermerg gevormd; het hormoon brengt het lichaam in staat van paraatheid en werkt bloeddrukverhogend (6.5.5; 11.8.2);
nucleïnezuur kernzuur (2.1.4)
nucleoli lichaampjes in de kern, die RNA bevatten (2.4.1)
nucleoplasma kernplasma, waterige substantie in de kern, waarin de kernlichaampjes en chromosomen rondzweven (2.2.3)
nucleotide bouwsteen van nucleïnezuur; bestaat uit een stikstofbase, een fosforzuur en een ribosemolecuul (2.2.3)
nucleus caudatus staartkern; een van de basale ganglia in de grote hersenen (12.5.2)
nucleus lentiformis lenskern; een van de basale ganglia in de grote hersenen (12.5.2)
nucleus pulposus geleiachtige kern van de discus intervertebralis (tussenwervelschijf) (14.4.1)
nucleus ruber rode kern; belangrijk schakelcentrum binnen de extrapiramidale banen; ligt in de middenhersenen (12.7.1)
nucleus (1) celkern (2.2.3); (2) zenuwknoop binnen het centrale zenuwstelsel (12.4.3)