Van Maagsap tot Myotoom

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

maagsap door maagwandklieren afgescheiden verteringssap (7.2.5)
maagstraat de bijna niet geplooide maagwand van de curvatura minor; hierlangs stromen ingeslikte vloeistoffen vrijwel rechtstreeks richting twaalfvingerige darm (7.2.5)
maagwandcellen in de crypten van de maagwand gelegen kliercellen; produceren zoutzuur en intrinsieke factor (7.2.5)
macrofagen grote cellen die in de weefsels door fagocytose ziekteverwekkende bacteriën en beschadigde en dode lichaamscellen opruimen; ontstaan uit monocyten (3.2.1; 6.6.1; 6.9.1)
macrofagen uit monocyten ontwikkelde grote cellen die langere tijd of zelfs permanent in bepaalde weefsels zitten; ruimen door fagocytose lichaamsvreemde cellen op (6.9.1)
macula lutea macula of gele vlek; deel van de retina (netvlies) dat in het verlengde van de optische as ligt (13.5.3)
magnetic resonance imaging MRI; onderzoeksmethode die gebruikt maakt van magnetische resonantie, waarmee zachtere weefsels dan botten zichtbaar gemaakt kunnen worden (1.2.2)
malleus hamer; het tegen het trommelvlies gelegen gehoorbeentje in het middenoor (13.6.1)
malpighilichaampje kapsel van Bowman met de glomerulus in een nefron (8.1.3)
maltase enzym dat maltose splitst in twee moleculen glucose (7.1.1)
maltose tweevoudige suiker (disacharide); opgebouwd uit twee moleculen glucose (7.1.1)
mammae vrouwenborsten (10.2.4)
mandibula onderkaak (7.2.2;14.3.2)
manubrium handvat; bovenste deel van het sternum (borstbeen) (14.4.2)
manus hand (14.5.2)
mastocyten mestcellen; bindweefselcellen die een rol spelen bij de afweer (3.2.1; 6.9.1)
matrix tussencelstof; extracellulaire stoffen in een weefsel (3)
maxilla bovenkaak (7.2.2; 9.1.1; 14.3.2)
mechanosensoren sensoren die gevoelig zijn voor mechanische prikkels, zoals druk en trilling (13.1.1)
mechanosensoren zintuigen die gevoelig zijn voor mechanische prikkels (13.4; 13.6)
meconium de eerste ontlasting van de pasgeborene; donkergroen tot zwart van kleur (18.3.2)
mediaal naar het midden toe; tegengesteld aan lateraal (aan de zijkant) (4.3)
mediaanvlak medio-sagittaal vlak; verdeelt het lichaam in links en rechts (4.2)
mediale meniscus binnenmeniscus; kraakbeenschijf in het kniegewricht aan de binnenkant van de knie (14.5.4)
mediastinum de ruimte tussen de longen met daarin hart, luchtpijp, slokdarm en grote vaten (4.6.2; 6.1.1)
medulla oblongata verlengde merg; caudale deel van de hersenstam, gaat over in het ruggenmerg (12.7.3)
medulla spinalis ruggenmerg (12.9)
medulla merg; binnenste van een orgaan; o.a. van de nier en hersenen (8.1.1; 12.5.1)
meerlagig epitheel dekweefsel dat uit meerdere tot vele lagen epitheelcellen bestaat (3.1.2)
meervoudig onverzadigd vetzuur vetzuur dat twee of meer dubbele bindingen heeft tussen C-atomen, waardoor er minder H-atomen in het molecuul zitten (dan wanneer er geen dubbele bindingen waren) (7.1.2)
meiose I eerste fase van de reductiedeling, waarbij uit de moedercel twee haploïde dochtercellen ontstaan (15.4.1)
meiose II vervolg op de meiose I, waarbij de twee haploïde cellen 'gewoon' delen (mitose) en er vier haploïde cellen ontstaan (15.4.1)
meiose reductiedeling; celdeling waarbij de dubbele set homologe chromosomen gehalveerd wordt; treedt op bij de vorming van geslachtscellen (15.4.1)
meissnertastlichaampjes tastzintuigen in de papillen van de stratum papillaire van de dermis; gevoelig voor vervormingen van de huid; komen in hoge concentratie voor in de onbehaarde huid (13.4)
melanine zwart pigment; zit o.a. in de epidermis (opperhuid) (10.2.1)
melanocyten melanine vormende cellen in de stratum basale van de epidermis (10.2)
melanocytenstimulerend hormoon MSH; door adenohypofyse geproduceerd hormoon; stimuleert de vorming van melanine door de melanocyten in de huid (11.3.2)
melatonine slaaphormoon; door de epifyse cerebri (pijnappelklier) geproduceerd (11.3)
melkgebit gebitselementen die in de peuter- en kleutertijd uitkomen; worden later gewisseld voor het blijvend gebit (18.3.2)
melkklieren trosvormige klieren in de borst, met een afvoergang naar de tepel (10.2.4)
melksuiker lactose; een disacharide, bestaat uit 1 glucose en 1 galactose (7.1.1)
membraan van Corti dakmembraan; vlies boven op het orgaan van Corti (13.6.1)
membraaneiwitten eiwitten in of op de fosfolipidelaag van de celmembraan (2.2)
membraanporiën afsluitbare kanaaltjes in de celmembraan, gevormd door de membraaneiwitten in de celmembraan (2.2.1)
membraanpotentiaal potentiaalverschil tussen de binnen- en de buitenkant van een cel (12.4.4)
membrana basilaris basilair membraan (basaal membraam); vlies tussen scala media en scala vestibuli waarop zich het orgaan van Corti bevindt (13.6)
membrana fibrosa buitenste laag van het gewrichtskapsel; sterk vlies, dat bestaat taai straf bindweefsel bestaat (14.2.3)
membrana interossea antebrachii bindweefselvlies tussen de ulna (ellepijp) en de radius (spaakbeen) (14.5.2)
membrana interossea cruris bindweefselvlies tussen de tibia (scheenbeen) en de fibula (kuitbeen) (14.5.4)
membrana interossea vliesvormige bindweefselverbinding tussen twee pijpbeenderen (14.2.1)
membrana synovialis binnenste laag van het gewrichtskapsel; dun, elastisch vlies met zenuwen en bloedvaten; scheidt synovia (gewrichtssmeer) af (14.2.3)
membrana tympani trommelvlies; dun vlies tussen het uitwendige oor en het middenoor (13.6.1)
meningeale bloedvaten bloedvaten tussen de hersenschedel en de hersenvliezen; het zijn de aftakkingen van de a. carotis externa (uitwendige halsslagader) (12.13)
meninges hersen- en ruggenmergvliezen; de drie vliezen tussen de schedelbeenderen en het hersenweefsel: dura mater, arachnoïdea mater en pia mater (12.12)
menisci halvemaanvormige kraakbeenschijven in het kniegewricht (14.2.2; 14.5.4)
menopauze climacterium of overgang; levensfase (45 - 60 jaar) waarin de vrouw door hormonale veranderingen haar vruchtbaarheid verliest (18.3.6)
menstruatie het gemiddeld om de vier weken afgestoten worden van het endometrium (baarmoederslijmvlies) bij de vrouw (15.5.1)
menstruatiefase bloedingsfase; gemiddeld vijf dagen durende fase in de menstruele cyclus waarbij het endometrium wordt afgestoten; gaat met bloeding gepaard (15.5.1)
menstruele cyclus vier weken durende hormoongestuurde cyclus waarin eirijping, eisprong en veranderingen in het endometrium plaatsvinden; indien geen bevruchte eicel innestelt wordt het endometrium afgestoten en begint de cyclus van voren af aan (15.5.1)
mergholte holte in de diafyse van een pijpbeen (14.1.3)
mergpiramiden kegelvormige merggebieden in de nier (8.1.1)
mergsinussen ruimten rondom de lymfefollikels in het merg van de lymfeknoop (6.8.2)
mergstralen vanuit de basis van een mergpiramide uitwaaierende streping (8.1.1)
merkeltastlichaampjes tastsensoren in de huid tussen epidermis en dermis; verzorgen de fijne tastzin (gevoelig voor lichte aanrakingen) (13.4)
mesencephalon middenhersenen; deel van de hersenstam (12.7.1)
mesenterium dorsale commune embryonale mesenterium rondom de oerdarm; zal later ontwikkelen tot een ventraal en een dorsaal deel (16.4.2)
mesenterium dorsale dorsale ophangband; verbindt delen van de darm met de dorsale buikwand (7.4.2)
mesenterium ventrale ventrale ophangband; grote verticale buikvliesplooi in de ventrale zijde van de buikholte (7.4.2)
mesenterium ophangband; min of meer dubbelgevouwen peritoneum viscerale die de meeste buikorganen omgeeft en fixeert (7.4.2)
mesoderm middelste kiemblad van de kiemschijf (bij het embryo van ongeveer drie weken); hieruit ontstaan motorisch stelsel, urinewegstelsel, circulatiestelsel, voortplantingsstelsel en delen van het hormoonstelsel (16.2.1)
mesotheel eenlagig plaveiselepitheel, hieruit bestaan de vliezen rondom longen, hart en buikorganen (3.1.1)
messenger-RNA mRNA, boodschapper-RNA; kopie van een stukje DNA, met informatie voor de synthese van een eiwit; beweegt zich vanuit celkern naar het cytoplasma (2.2.3)
mestcellen mastocyten; bindweefselcellen die een rol spelen bij de afweer (3.2.1; 6.9.1)
metabolisme stofwisseling; alle biochemische reacties die in een organisme plaatshebben (2.1)
microfagen neutrofiele granulocyten; bepaald type leukocyten (65% van het totale aantal leukocyten); zijn in staat buiten de bloedbaan te treden en pathogenen op te ruimen (6.6.1; 6.9.1)
microgliocyten kleinste type gliacellen in het CZS; ruimen beschadigd zenuwweefsel op en hebben een afweerfunctie (12.4.2)
microvilli borstelzoom; membraanuitstulpingen van de epitheelcellen in de wand van de dunne darm; veroorzaakt oppervlaktevergroting (7.2.6)
mictie urinelozing (8.4)
mictiereflex ruggenmergreflex; vulling van de blaas veroorzaakt reflexmatig contractie van de blaaswand en ontspanning van de inwendige sluitspier van de blaas (8.4; 12.10.2)
milia gerstekorrels; uitmondingen van talgkliertjes in de huid van een pasgeborene (18.3.5)
miltfollikels bolvormige celophopingen in de pulpa van de milt; hier worden lymfocyten geactiveerd tot specifieke afweer (6.6.2)
miltsinussen buisvormige ruimten binnen het merg van de milt (6.6.2)
mimische spieren spieren van het hoofd die de gelaatsuitdrukkingen tot stand brengen (14.6.2)
mineralocorticoïde door de bijnierschors geproduceerde hormonen; reguleren de natrium- en kaliumconcentraties in het bloedplasma (11.8.1)
mitochondriën organellen waar het grootste deel van de celademhaling plaatsvindt (citroenzuurcyclus); energieleveranciers voor de cel (2.2.3)
mitose celdeling; uit een moedercel ontstaan twee identieke dochtercellen (2.3.1)
mitralisklep valva mitralis of valva bicuspidalis (tweeslippige klep); atrioventriculaire klep van de linker harthelft (6.1.3)
mondbodem ondervlak van de mond onder de tong; bestaat uit onderkaak, mondbodemspieren, spierteugels en delen van de halsspieren (7.2.2)
monddak bovenvlak van de mond; bestaat uit palatum (gehemelte) en bovenkaak (7.2.2)
mondholte cavum oris; ruimte omgeven door wangen, lippen, gehemelte, kaken, gebit en achterste gehemeltebogen (7.2.2)
monocyten grote leukocyten; kunnen buiten de bloedbaan treden om daar als macrofagen ziekteverwekkers en beschadigde lichaamscellen op te ruimen (6.6.1)
monosacharide enkelvoudige suiker; o.a. glucose, fructose, ribose (7.1.1)
monosynaptische reflex reflex waarbij de sensorische impulsen in het ruggenmerg meteen overschakelen naar de motorische zenuwvezel (er is meer één synaps nodig); verloopt daardoor erg snel (12.10)
mons veneris venusheuvel; mons pubis (schaamheuvel) bij de vrouw (15.2.1)
morula vroeg embryonaal stadium; bolletje cellen dat is ontstaan na de klievingdelingen van de zygote (bevruchte eicel) (16.2.1)
motorisch eindplaatje verbreding van het uiteinde van een motorische axon op de plaats waar hij contact maakt met de spiervezel; een soort verbrede synaps (12.4.5; 14.6.1)
motorische eenheid motor unit; motorische voorhoorncel met de spiervezels die hij aanstuurt (14.6.1)
motorische geheugen omvat geleerde bewegingen en bewegingspatronen die je doet zonder dat er bij na te denken; bijvoorbeeld fietsen, schrijven, veters strikken (12.5.3)
motorische homunculus motorisch 'mannetje'; projectie van de lichaamsdelen op de primaire motorische schors van de grote hersenen (12.5.3)
motorische neuronen zenuwcellen die impulsen vanuit het CZS naar de effectoren stuurt (klieren en spieren) (12.4.1)
motorische output het door het zenuwstelsel aansturen van de effectoren (spieren en klieren) (12.2)
motorische schorsgebieden schorsgebieden van de grote hersenen die een functie hebben bij bewegen (12.5.3)
motorische somatotopie elke spier in het lichaam is geschakeld aan een specifiek deel van de motorische schors (12.5.3)
motorische voorhoorn naar voren gerichte deel van de grijze stof van het ruggenmerg; hier bevinden zich voornamelijk motorische zenuwcellen (12.9.1)
motorische voorwortel tot een bundel verenigde motorische zenuwvezels uit een voorhoorn (12.9.1)
mucosa slijmvlies; epitheellaag met veel slijmproducerende cellen; bekleding van holle organen, die in contact staan met het m.i.(zoals darmkanaal, neusholte, vagina) (3.1.2; 7.2.1)
mukeus slijmerig; van toepassing op speeksel (7.2.2)
müllergangen embryonale voorstadia van de eileiders (16.4.10)
musculaire arteriën gespierde arteriën; kleine arteriën waarbij de wand voornamelijk bestaat uit glad spierweefsel; brengen hierdoor vasoconstrictie (bloedvatvernauwing) en vasodilatatie (bloedvatverwijding) tot stand (6.4.1)
muscularis mucosae laagje glad spierweefsel tussen de submucosa en mucosa in de wand van het verteringskanaal (7.2.1)
muscularis spiergedeelte in de wand van het spijsverteringskanaal (7.2.1)
musculi bulbi oogspieren (13.5.4)
musculi intercostales externi buitenste tussenribspieren (9.3.1; 14.6.3)
musculi intercostales interni binnenste tussenribspieren (9.3.2; 14.6.3)
musculi intercostales tussenribspieren (14.6.3)
musculi papillares papillaire spieren; in het lumen van de ventrikel uitstekende spiertjes, verbonden met de chordae tendinae van de AV-kleppen (6.1.3)
musculus arrector pili haarspier (10.2.4)
musculus biceps brachii ‘biceps’, tweehoofdige bovenarmspier (14.6.4)
musculus biceps femoris tweehoofdige dijspier (14.6.4)
musculus buccinator wangspier (14.6.2)
musculus ciliaris kringspier in het corpus ciliare (straalvormig lichaam) dat verbonden is met de lensbandjes (13.5.1)
musculus cremaster spier die bij afkoeling de testis omhoog trekt, naar het lichaam toe (15.3.2)
musculus deltoideus deltaspier (14.6.4)
musculus dilatator pupillae glad spiertje in de iris die de iris verkleint (en daardoor de pupil verwijdt) (13.5.3)
musculus erector pilorum haarspiertje (10.2.4)
musculus erector spinae rugstrekker (14.6.3)
musculus gastrocnemius oppervlakkige kuitspier (14.6.4)
musculus gluteus maximus grote bilspier (14.6.4)
musculus iliacus darmbeenspier (14.6.4)
musculus iliopsoas samengestelde deel van de m. iliacus en m. iliopsoas (14.6.4)
musculus latissimus dorsi brede rugspier (14.6.3; 14.6.4)
musculus levator ani anusheffer (14.6.3)
musculus levator palpebrae spier die het bovenste ooglid omhoog trekt (13.5.4)
musculus masseter kauwspier (14.6.2)
musculus obliquus externus abdominis buitenste schuine buikspier (14.6.3)
musculus obliquus internus abdominis binnenste schuine buikspier (14.6.3)
musculus pectoralis major grote borstspier (14.6.4)
musculus pectoralis minor kleine borstspier (14.6.4)
musculus psoas lendenspier (14.6.4)
musculus quadriceps femoris quadriceps; vierhoofdige dijspier (14.6.4)
musculus rectus abdominis rechte buikspier (14.6.3)
musculus semimembranosus halfvliezige spier (16.4.6)
musculus semitendinosus halfpeesachtige spier (16.4.6)
musculus soleus scholspier (16.4.6)
musculus sphincter ani externus uitwendige sluitspier van de anus; bestaat uit dwarsgestreept spierweefsel (7.2.7)
musculus sphincter ani internus inwendige sluitspier van de anus; bestaat uit glad spierweefsel (7.2.7)
musculus sphincter pupillae glad kringspiertje in de iris die de iris vergroot (en daardoor de pupil vernauwt) (13.5.3)
musculus sphincter pylori kringspier in de wand van de pylorus; sluit de maag af van het duodenum (7.2.5)
musculus sphincter urethrae uitwendige sluitspier van de urethra (urinebuis) (8.3.2; 14.6.3)
musculus sphincter vesicae inwendige sluitspier van de vesica urinaria (urineblaas) (8.3.2)
musculus sternocleidomastoideus schuine halsspier (14.6.2)
musculus temporalis slaapspier (14.6.2)
musculus tibialis anterior voorste scheenbeenspier (14.6.4)
musculus transversus abdominis dwarse buikspier (14.6.3)
musculus trapezius monnikskapspier (14.6.2; 14.6.4)
musculus triceps brachii ‘triceps’; driehoofdige bovenarmspier (14.6.4)
musculus triceps surae driehoofdige kuitspier (14.6.4)
musculus vocalis stemspier (9.1.4)
musculus spier (14.6.1)
mutualisme een vorm van symbiose waarbij beide organismen voordele hebben (7.2.7)
myeline vetachtige stof in de myelineschede rondom de axon (3.4; 12.4.2)
myelineschede door oligodendrocyten en schwanncellen gevormde schede rondom het axon (3.4; 12.4.2)
myocard middelste, dikste laag van de hartwand; bestaat uit hartspierweefsel (6.1.4)
myocardium middelste, dikste laag van de hartwand; bestaat uit hartspierweefsel (6.1.4)
myofibrillen contractiele elementen; kleinste samentrekbare eenheden in een spiervezel (3.3; 14.6.1)
myometrium gespierde laag van de baarmoederwand (15.2.4)
myosine eiwit in myofibrillen in spiervezels (14.6.1)
myosinefilamenten draadvormig eiwit in myofibrillen in spiervezels (3.3; 14.6.1)
myotoom spiersegment; groep spieren die door eenzelfde ruggenmergsegment wordt aangestuurd (12.9.3)