Van Kaliumefflux tot Kyfose

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

kaliumefflux uitstroom van kaliumionen van binnen naar buiten de zenuwcel, direct na het optreden van het actiepotentiaal (12.3.4)
kalkzouten calciumfosfaat; bestanddeel van de matris van botweefsel (3.2.3)
kamerwater glasheldere vloeistof in de oogkamers (13.5.2)
kanaal van Schlemm ringvormige kanaaltje ter hoogte van de limbus in het oog; voert kamerwater af naar de venen in de sclera (harde oogrok) (13.5.2)
kapsel van Bowman deel van het nefron; dubbelwandig 'zakje' van eenlagig plaveiselepitheel met daarin het glomerulus (8.1.3)
kapseldruk druk van de vloeistof in het kapsel van Bowman (8.1.4)
kapselholte holte tussen de buitenwand van het kapsel van Bowman en de glomerulus (8.1.3)
karyogram fotografisch beeld van de gerangschikte homologe chromosomenparen (16.1.1)
katabole reactie dissimilatie; chemische omzetting waarbij grotere moleculen afgebroken worden tot kleinere; hierbij komt energie vrij (2.1)
katalysator stof die een chemische reactie versnelt zonder daarbij zelf verbruikt te worden (2.1)
kauwspieren drie sterke spieren van het hoofd, die de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak bewegen (7.2.2; 14.6.2)
kegeltjes kegelvormige lichtsensoren in het centrum van het netvlies; maken scherpzien en kleuren zien mogelijk (13.5.3)
keratine hoornstof, in epidermis, nagels en haren (10.2.1)
kern nucleus; (1) opeenhoping van zenuwcellichamen in het CZS (12.4.3); (2) celkern (2.2.3)
kernmembraan dun zeer elastisch vliesje rond de celkern; is opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden en heeft veel relatief grote poriën (2.2.3)
kerntemperatuur temperatuur van het centraal gelegen deel van het lichaam; ligt rond de 37° Celsius (7.3.2; 10.4)
kiembladen drie lagen cellen van de embryoblast: ectoderm, mesoderm en entoderm (16.2.1)
kiemschijf de drie kiembladen gezamenlijk: ectoderm, mesoderm en entoderm (16.2.1)
kieuwbogen uitstulpingen in het halsgebied bij het vroege embryo (3-4 weken), waaruit zich later de onderkaak, gehoorbeentjes en delen van het strottenhoofd ontwikkelen (16.4.4)
kleine bloedsomloop longcirculatie: rechterventrikel - longslagaders - longen - longaders - linkeratrium
kleuterbuikje door versterkte lumbale lordose naar voren uitstekende buik bij peuters en kleuters (18.3.9)
kleuterfase levensfase van de mens tussen de 3 en de 6 jaar (18.2)
klier orgaan waarvan de cellen een product (secreet) maken; secreet wordt ofwel binnen het lichaam (interne secretie) of buiten het lichaam (externe secretie) afgescheiden (3.1.3)
klievingsdeling mitose zonder plasmagroei; gebeurt een aantal keer met de zygote, waardoor de morula ontstaat (16.2.1)
klonale expansie snelle celvermeerdering (door mitose) bij B-lymfocyten nadat ze 'weten' welke antistoffen ze moeten maken (6.9.2)
kloon algemeen: groep genetisch identieke organismen; groep identieke B-lymfocyten die door celdeling ontstaan door de aanwezigheid van een specifieke antigeen (6.9.2)
kniebanden gezamenlijke laterale ligamenten, mediale banden en kruisbanden van de knie (14.5.4)
kniepees pees van de musculus quadriceps (vierhoofdige dijbeenspier) die vlak onder de knieschijf aan de tibia (scheenbeen) (14.6.4)
kniepeesreflex ruggenmergreflex waarbij de dijbeenspier bij prikkeling van de rekkingsensoren (spierspoelen) samentrekt, waardoor het been gestrekt wordt (12.10.2)
knipperreflex corneareflex; reflexmatig sluiten van de oogleden wanneer het hoornvlies geprikkeld wordt (12.9; 13.5.4)
knuffelhormoon oxytocine; door de hypothalamus geproduceerd hormoon dat via de neurohypofyse aan het bloed wordt afgegeven; doet uterus en melkklieren contraheren en versterkt de band tussen moeder en kind en in het algemeen tussen geliefden (knuffelhormoon) (11.3.1; 17.3)
kogelgewricht gewricht met een diepe kom en een bolle kom; maakt bewegingen rond drie assen (longitudinaal, transversaal, sagittaal) mogelijk (14.2.3)
kokhalsreflex hierbij wordt voedsel reflexmatig vanuit de keelholte terug naar de mond gebracht; treedt op wanneer iets scherps de keelwand prikkelt (7.2.2; 12.10.1)
koolhydraten suikers; organische stoffen bestaande een of meerdere tot en veelvoud van ringvormige monosachariden (7.1.1)
koolstofdioxidespanning partiële druk van koolstofdioxide in een gasmengsel; PCO2 in buitenlucht is 0,2 mmHg (9.2)
korte beenderen kleine, bijna massieve botten; bijvoorbeeld hand- en voetwortelbeentjes (14.1.3)
kortetermijngeheugen het vermogen om waarnemingen en feiten een korte tijd te onthouden (12.5.3)
koudesensoren thermosensoren die gevoelig zijn voor temperaturen beneden de 38°C; o.a. in huid, hoornvlies (13.4)
krauselichaampjes huidsensoren; vermoedelijk koudesensoren (13.4)
kristalloïd-osmotische waarde KOW; kracht waarmee een zoutoplossing water aanzuigt (2.2.2; 6.6.4)
kroon deel van het gebitselement dat boven de kaak uit steekt (7.2.2)
kroonnaad bij de zuigeling nog niet verbeende schedelnaad tussen de twee wandbeenderen en voorhoofdsbeenderen; verbeent in de vroege jeugd, is tot het 40ste levensjaar nog zichtbaar (16.4.9)
kruisbanden stevige gewrichtsbanden in het kniegewricht (14.5.4)
kubisch epitheel eenlagig epitheel met cellen die even diep als breed zijn; in wanden van nier- en klierbuizen (3.1.1)
kupffercellen macrofagen in het leverweefsel (6.9.1)
kwadrant een vierde deel (bijvoorbeeld van de kaak) (7.2.2)
kyfose kromming van de wervelkolom met de bolle kant naar dorsaal (14.4.1)