Van IF-B12-complex tot Juxtaglomerulaire complex

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

IF-B12-complex

intrinsic factor (door de maagwand geproduceerde glycoproteïne) die vitamine B12 aan zich koppelt; op deze manier kan vitamine B12 via de darmwand opgenomen worden in het bloed (7.2.5)
IgA immunoglobuline A; komt vooral voor in de slijmvliezen van luchtwegen en maagdarmkanaal; zit ook in moedermelk (6.9.2)
IgD immunoglobuline D; is gebonden aan B-lymfocyten; speelt vermoedelijk een rol bij de klonale expansie van de B-lymfocyten (6.9.2)
IgE immunoglobuline E; wordt gevormdbij worminfecties en acute allergische reacties (6.9.2)
IgG immunoglobuline G; wordt overal in het lichaam ingezet tegen infecties met virussen, bacteriën en toxinen (6.9.2)
IgM immunoglobuline M; wordt kort na een infectie gevormd en neemt daarna snel in aantal af (6.9.2)
ileum kronkeldarm; met 3,5 meter lengte het langste deel van de dunne darm, gaat over in de dikke darm (7.2.6)
immunisatie het onvatbaar maken door middel van het in het lichaam brengen van bepaalde stoffen (verzwakte ziekteverwekkers of antistoffen) (6.9.3)
immuniteit onvatbaarheid voor infecties (6.7.2)
immunoglobulinen antistoffen; eiwitten die zich tegen antigenen richten (6.9.2)
immunologie vakgebied dat zich bezighoudt met het menselijke afweersysteem (6.9)
immuun onvatbaar voor infecties door de werking van de specifieke afweer (6.9.2)
immuunsysteem geheel van specifieke afweerreacties door de activiteiten van meerdere typen lymfocyten (6.9.2)
impuls elektrische prikkel; stroomstootje als gevolg van een actiepotentiaal rond de membraan van een zenuwcel (3.4; 12.4.4)
impulsgeleiding de verplaatsing van het actiepotentiaal over de celmembraan (12.4.4)
incisie snee, insnijding (10.2.2)
incus aambeeld; middelste gehoorbeentje in het middenoor (13.6.1)
indaling het ongeboren kind zakt tegen het einde van de zwangerschap naar beneden; het hoofd ligt dan aan het begin van de bekkeningang (bij hoofdligging) (17.3)
inferior lager, onder; tegengesteld aan superior (hoger, boven) (4.3)
inflammatio ontsteking; gekenmerkt door rubor (roodheid), tumor (zwelling), calor (warmte), dolor (pijn) en functio laesa (gestoorde functie) (6.7.1)
infundibulum tubae uterinae trechtervormige uiteinde van de tuba uterina (eileider) dat over het ovarium (eierstok) heen gestulpt is (15.2.3)
inhiberende neurotransmitters chemische boodschapperstoffen van het zenuwstelsel; veroorzaken postsynaptisch een hyperpolarisatie (tegengesteld aan depolarisatie), waardoor de impulsgeleiding niet wordt voortgezet (12.4.5)
inhibiting hormonen IH; door de hypothalamus aan de hypofyse afgegeven; remmen de hormoonproductie door de adenohypofyse (11.3.2)
insnoeringen van Ranvier onderbrekingen van de myelinschede bij een axon (3.4; 12.4.1)
inspectie onderzoeksmethode waarbij je de buitenkant van het lichaam goed observeert (1.2.2)
inspiratie inademing (9.3.1)
inspiratoir reservevolume IRV; de hoeveelheid lucht die na een normale inademing extra ingeademd kan worden (9.4.1)
instelreflex hersenstamreflex; beide ogen accommoderen reflexmatig wanneer ze een onscherp beeld waarnemen (12.10.1)
insula 'eilandje'; naar binnen gestulpt deel van de hersenschors van de grote hersenen; is niet zichtbaar aan het oppervlak (12.5.1)
insuline door bètacellen in de alvleesklier geproduceerd hormoon; bevordert de omzetting van glucose in glycogeen en de opname van glucose door de cellen; de bloedsuikerspiegel daalt (11.7)
integratie het tot één geheel maken; het goed op elkaar afgestemd zijn (bijvoorbeeld van de vegetatieve stelsels)
intelligentieleeftijd verstandelijke ontwikkeling wordt onderzocht door niveau- of intelligentietests (18.1.5)
intercalaire schijven schijfvormige verbindingsstukjes tussen hartspiercellen (3.3)
interferonen door lichaamscellen afgegeven eiwitten zodra ze geïnfecteerd worden door virussen, nog voordat de specifieke afweer op gang is gekomen; dit zijn signaalstoffen die bepaalde afweermechanismen in gang zetten (6.9.1)
interleukines door macrofagen en T-cellen afgegeven eiwitten; signaalstoffen die de activiteit van andere T-cellen en B-cellen verhogen (6.9.2
interlobaire arteriën vertakkingen van de a. renalis in het niermerg (8.1.2)
interlobulaire arteriën tussen lobjes gelegen slagaders (7.3.2; 8.1.2)
interlobulaire galgang galgang tussen de leverlobjes (7.3.2)
interlobulaire ruimte ruimte tussen de leverlobjes; ook driehoekje van Kiernan genoemd (7.3.2)
interlobulaire venen tussen lobjes gelegen aders (73.2; 8.1.3)
intermediaire stofwisseling stofwisseling in de lever; stofwisselingsproducten worden via het bloed aan de lichaamscellen afgegeven (7.3.2)
interne secretie afgifte aan het inwendige milieu, van toepassing op hormoonafgifte naar het bloed (3.1.3; 11.1)
internus inwendig; tegengesteld aan externus (uitwendig) (4.3)
interosensoren sensoren die gevoelig zijn voor prikkels vanuit het lichaam (13.1.1)
interstitiële cellen leydigcellen; testosteron producerende cellen in het bindweefsel tussen de zaadbuisjes van de testis (15.3.2)
interstitiële vloeistof weefselvocht; extracellulaire vocht in de weefsels (3.2.4; 6.7.2)
interstitiële celstimulerend hormoon ICSH; door de adenohypofyse geproduceerd hormoon; stimuleert testosteronproductie door de interstitiële cellen (cellen van Leydig) (11.3.2)
intestinum crassum dikke darm; laatste 1,5 meter lange deel van het spijsverteringskanaal (7.2.7)
intestinum tenue dunne darm; bestaat uit duodenum (twaalfvingerige darm), jejunum (nuchtere darm) en ileum (kronkeldarm) (7.2.6)
intraperitoneaal omgeven door het buikvlies (peritoneum) (4.6.3; 7.4.1)
intraperitoneale organen organen die door het buikvlies worden omgeven (7.4.1)
intrinsic factor endogene factor; stof die in het lichaam is gemaakt (18.1.2)
involutio uteri het terugkeren van de uterus tot de normale afmetingen, na een bevalling (17.5)
inwendige spildraai het draaien van het babyhoofd vlak voor het geboren wordt; het hoofd draait ongeveer negentig graden zodat het schedeltje precies in de overlangs-ovale bekkenuitgang past (17.4)
ionenpomp transport van geladen deeltjes in en uit de cel door de enzymatische pomp (2.2.2)
iris regenboogvlies (13.5.1)
insertie plaats waar een spier met een pees aan het bot vastzit; beweegt bij verkorting naar de origo toe (14.6.1)
isometrische contractie statische contractie; contractie van spiervezels zonder dat de spier zelf korter wordt (14.6.1)
isotonische spiercontractie dynamische contractie; contractie van de spiervezels waardoor de spier korter wordt (14.6.1)
isovolumetrische fase begin van de ventrikelsystolische fase, waarbij de atria ontspannen en de AV-kleppen dichtvallen (= eerste harttoon) (6.2.1)
istmus glandulae thyoideae

nauwe verbinding tussen de linker en rechter deel van de glandula thyroidea (schildklier) (11.5)

 ---------------------------

 --------------------------------------------------------------------------------------------

jejunum nuchtere darm; tweede deel van de dunne darm, tussen duodenum en ileum (7.2.6)
junctura cartilaginea kraakbeenverbinding tussen twee botten (14.2.2)
junctura fibrosa bindweefselverbinding tussen twee botten (14.2.1)
junctura synovialis synoviale verbinding of gewricht (14/2/3)
junctura botverbinding (14.2)
juxtaglomerulaire cellen hormoon (renine) producerende cellen vlakbij de glomerulus (8.1.3; 11.10)
juxtaglomerulaire complex juxtaglomerulaire cellen, samen met aangrenzende epitheelcellen van vas efferens en van distale tubulus in het nefron (8.1.5)