Van Gal tot Hypothalamus-hypofysesysteem

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

haarbulbus verdikte bodem van een haarfollikel (10.2.4)
haarfollikel haarzakje; omhulsel van de haar, gevormd door epidermis en dermis die tot in de subcutis (onderhuids bindweefsel) naar binnen geplooid zijn (10.2.4)
haarpapil kleine uitstulping van de haarbulbus waarin zich bindweefsel, een zenuwvezels en capillairen bevinden (10.2.4)
haarschacht deel van de haar dat uit de huid steekt (10.2.4)
haarspiertje m. arrector pili (10.2.4)
haarwortel deel van de haar dat in de huid is verzonken (10.2.4)
haarzaksensoren afferente zenuwvezels rondom de haarfollikel (13.4)
halfcirkelvormige kanalen drie kanalen in de vorm van een soort driedimensionale krakeling; deel van het evenwichtszintuig in het binnenoor; maken de waarneming van draaiingen van het hoofd mogelijk (13.7.1)
halscellen slijmproducerende epitheelcellen in de crypten van de maagwand (7.2.5)
hamstrings verzamelnaam voor de drie grote spieren aan de achterkant van het dijbeen; flexoren van het onderbeen (14.6.4)
handpalmarcaden boogvormige arteriële verbindingen tussen a. radialis en a. ulnaris ter hoogte van de handpalm (6.4.2)
haploïd voorzien van de helft van het aantal (1n) chromosomen; van toepassing op rijpe geslachtscellen (15.4)
harde buiken contracties van de spieren van de baarmoederwand; als voorbereiding op de 'echte' contracties ('weeën) tijdens de partus (17.3)
hartcapaciteit hoeveelheid bloed die het hart per tijdseenheid kan wegpompen (6.2.4)
hartcirculatie coronaire circulatie; bloedvatensysteem dat het hart zelf van bloed voorziet (6.3)
hartfrequentie aantal ventrikelcontracties per minuut (6.1.3)
hartminuutvolume HMV; hoeveelheid bloed die één ventrikel per minuut wegpompt (6.2.4)
hartpomp zuigende werking van de atria tijdens de ventrikelsystole; hierdoor stroomt aderlijk bloed terug naar het hart (6.4.1)
hartprikkelgeleidingssysteem geheel van gespecialiseerde hartspiercellen met een prikkelvormend of prikkelgeleidend vermogen (6.1.4)
hartregulatiecentrum functioneel centrum in het verlengde merg; beïnvloedt de werking van het hart via het vegetatieve zenuwstelsel (6.3.3; 12.7.3)
hartspierweefsel spierweefsel van het hart; bestaat uit langwerpige, vertakte dwarsgestreepte spiercellen, die onderling verbonden zijn door intercalaire schijven; trekken krachtig samen, hebben kort uithoudingsvermogen (3.3)
haustra coli regelmatige uitstulpingen van de dikke darm als gevolg van de taenia coli (7.2.7)
haverskanaal het centrale kanaal in een osteon (botbuis) in botweefsel; bevat bloed- en lymfevaten (3.2.3; 14.1.1)
HDL high density lipoprotein; lipoproteïne met een relatief hoge dichtheid; vervoert vetten en cholesterol vanuit de darmwand naar de lever (7.3.2)
hechtsteel verbindt het vroege embryo met de chorion; ontwikkelt zich later tot navelstreng (16.2.1)
heksenmelk colostrumachtig secreet uit de borstklier van een pasgeborene (18.3.10)
hematocriet relatieve erytrocytenvolume in het bloed (6.6.1)
hemisferen 'halve bollen'; hersenhelften (van toepassing bij de grote en kleine hersenen) (12.5.1; 12.8)
hemoglobine Hb; roodgekleurd eiwit in de erytrocyt; bindt zuurstof in zuurstofrijke omgeving (longen) en geeft het af in zuurstofarme omgeving (weefsels) (6.6.1)
hemopoëse bloedcelvorming; gebeurt grotendeels in het rode beenmerg (6.6.2)
hemopoëtische stamcellen bloedstamcellen; bevinden zich in het rode beenmerg; hieruit ontwikkelen zich de bloedcellen (6.6.2)
hemostase bloedstolling; dit proces bestaat achtereenvolgens uit lokale vasoconstrictie, propvorming en coagulatie (6.6.3)
hepar lever (7.3.2)
hering-breuerreflex hersenstamreflex; reflexmatige regeling van het ademritme via de N. vagus en het ademhalingscentrum (9.3.3; 12.10.1)
hersenstamreflexen reflexen in het hoofdgebied die via de hersenzenuwen verlopen (12.10.1)
heterolateraal horizontale banen zenuwbaan waarlangs sensorische (afferente) informatie aan de ene kant van het ruggenmergsegment binnenkomt, de mediaanlijn kruist, en via schakelneuronen als motorische (efferente) informatie hetzelfde ruggenmergsegment verlaat; van belang bij de ruggenmergreflexen (12.9.2)
heterolateraal opstijgende banen sensorische (afferente) informatie die via het ruggenmerg naar de hersenen opstijgt, aan de andere dan waar deze het ruggenmerg binnenkwam (12.9.2)
heterolateraal aan de andere kant; van toepassing op extrapiramidale banen die aan de ene kant het ruggenmergsegment binnenkomen en aan de andere kant uittreden (12.9.2)
heterozygoot van een gen twee verschillende allelen bezittend (16.1.2)
hilum poort; plaats bij een orgaan waar het viscerale blad overgaat in het pariëtale blad; via het hilum treden bloedvaten, lymfevaten en zenuwen in en uit (4.6.3)
hippocampus grote kern in de mediale wand van het zijventrikel; maakt deel uit van het limbische systeem (12.5.3)
histamine weefselhormoon afgegeven door beschadigde cellen (ontstekingsmediator); heeft uiteenlopende effecten zoals bloedvatverwijding (en daardoor bloeddrukdaling), bloedophoping, hartslagversnelling en maagzuurafgifte (6.6.1; 6.9.1; 11.10)
histologie weefselleer (3)
histonen eiwitten in DNA en RNA waaromheen de nucleïnezuren zijn gewikkeld (2.2.3)
hoestcentrum vermoedelijk zelfstandig functioneel centrum in het verlengde merg; werkt nauw samen met het ademhalingscentrum; stuurt hoesten en niezen aan (12.7.3)
hoestreflex reflexmatig met kracht naar buiten stoten van lucht via de mondholte; treedt op bij prikkeling van het slijmvlies in de diepere luchtwegen (9.3.4; 12.10.1)
holistische benadering gericht zijn op het totaal (1.5)
homeostase stabiele toestand van het inwendige milieu (5.1)
homolateraal horizontale banen zenuwbaan waarlangs sensorische (afferente) informatie het ruggenmergsegment binnenkomt en via schakelneuronen als motorische informatie hetzelfde ruggenmergsegment aan de dezelfde kant verlaat (12.9.2)
homolateraal opstijgende banen sensorische (afferente) informatie die via het ruggenmerg naar de hersenen opstijgt aan dezelfde kant als waar deze het ruggenmerg binnenkwam (12.9.2)
homolateraal aan dezelfde kant; van toepassing op piramidebanen, die aan dezelfde kant van het ruggenmerg uittreden als waar ze binnenkomen (12.9.2)
homologe chromosomen tweelingchromosomen; genen en centromeer zitten op dezelfde plaats, ze zijn even lang (15.4.1)
homozygoot van een gen twee dezelfde allelen bezittend (16.1.2)
hongercentrum functioneel centrum in de hypothalamus dat het hongergevoel kan opwekken waardoor je gaat eten; prikkels voor het hongercentrum zijn een laag insulinegehalte en een laag glucosegehalte van het bloed (12.6.2)
hoofdbronchiën eerste twee vertakkingen van de trachea (luchtpijp) (9.1.5)
hoofdcellen pepsinogeen producerende epitheelcellen diep in de crypten van de maagwand (7.2.5)
hoornvlies cornea (13.5.1)
hormonen chemische boodschapperstoffen; komen in het bloed middels interne secretie; hebben invloed op de specifieke werking op een of meerdere organen (11.1)
hormoon-receptorcomplex steroïdhormoon in het cytoplasma gekoppeld aan een receptoreiwit; dringt door in de celkern om het DNA te stimuleren tot de vorming van bepaalde eiwitten (veelal enzymen) (11.1.1)
hormoonspiegel voor een hormoon kenmerkende hormoonconcentratie in het bloed (11.1.2)
huidlijsten regelmatig ribbelpatroon van de huid van met name hand- en voetpalmen; ontstaan door de in rijen gerangschikte dermale papillen van de dermis (lederhuid) (10.2.1)
huidskleur bepaald door de hoeveelheid melanine in de stratum basale van de huid (10.2.1)
hulpademhalingsspieren spieren in hals en schoudergordel die je aanspant bij een extra diepe inspiratie (inademing) (9.3.1)
humaan choriongonadotrofine HCG; zwangerschapshormoon, door de trofoblastcellen in de eerste drie maanden van de zwangerschap gevormd; stimuleert in standhouding van het corpus luteum (gele lichaam) (17.1)
humaan chorionsomatomammotrofine HCS; zwangerschapshormoon, door de placenta vanaf de derde tot de negende zwangerschapsmaand gevormd; stimuleert bij de zwangere verhoging van bloedsuikerspiegel en de concentratie vrij vetzuren in het bloed; stimuleert ontwikkeling van het melkklierweefsel (17.2.2)
humane genoom totale erfelijke code van de mens in één stel (= 23) chromosomen (16.1.1)
humerus opperarmbeen (14.5.2)
humorale immuniteit immuniteit tegen bacteriën, virussen en toxinen op basis van antistoffen die zich vrijelijk in het lichaamsvocht (humor) bewegen (6.9.2)
hyalien kraakbeen kraakbeen met veel regelmatig gerangschikte collagene vezels; is daardoor helder en heeft een glad oppervlak; bevindt zich vooral op gewrichtsvlakken (3.2.2)
hydrocortison cortisol ('stress'-hormoon); bijnierschorshormoon; brengt het lichaam in staat van paraatheid; werkt remmend op ontstekingsreacties (11.8.1)
hydrofiel wateraantrekkend (2.2.1)
hydrofoob waterafstotend (2.2.1)
hymen maagdenvlies; slijmvliesplooi aan de dorsale kant van de vaginawand; sluit de vagina geheel of gedeeltelijk af; scheurt bij de eerste geslachtsgemeenschap (15.2.1)
hypofyse hersenaanhangsel; kleine hormoonklier die via de hypofysesteel aan de hypothalamus vastzit (11.2)
hypofysesteel dunne verbinding tussen de hypofyse en de hypothalamus 11.2)
hypothalamus deel van de tussenhersenen; produceert ADH en oxytocine, beïnvloedt de werking van de hypofyse en herbergt enkele vegetatieve centra (11.2; 12.6.2)
hypothalamus-hypofysesysteem door de nauwe samenwerking tussen hypothalamus en hypofyse zijn beide onlosmakelijk met elkaar verbonden (11.2)