Van Gal tot Gyrus precentralis

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

gal groengelige vloeistof; door de lever via de galwegen in de dunne darm uitgescheiden, bevat water, slijm, galzure zouten en bilirubine (7.3.2)
galactose een monosacharide (enkelvoudige suiker) (7.1.1)
galzure zouten bestanddelen van gal; emulgeren de te verteren vetten in de dunne darm (7.2.6)
gameten geslachtscellen (15.4)
gammaglobulinen γ-globulinen ofwel immunoglobulinen (antistoffen); plasma-eiwitten die een belangrijke rol bij de afweer van het lichaam spelen (6.6.4; 6.9.2)
gang van Wolff oerniergang; ontwikkelt zich bij het mannelijk embryo tot zaadleider (16.4.3)
ganglion zenuwknoop; opeenhoping van zenuwcellen in het PZS (meervoud is ganglia) (12.3.3)
gastrine weefselhormoon geproduceerd door gespecialiseerde maagwandcellen; stimuleert de afgifte van maagsap door de maagwand (7.2.5; 11.10)
gastro-oesofageale sfincter onderste slokdarmsfincter; sluitspier van de slokdarm op de plaats waar deze door het diafragma gaat; gaat terugstromen van maaginhoud naar de slokdarm tegen (7.2.4)
gaswisseling uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide via het respiratoir epitheel en de wand van de capillairen in het longweefsel (9.2)
gebitsleeftijd ontwikkeling van het gebit wordt gebruikt om specifieke informatie te verkrijgen over de ontwikkeling van een kind (18.1.5)
geboorteligging de manier waarop de foetus tegen het eind van de zwangerschap in de baarmoeder ligt (16.3)
geel beenmerg vetweefsel in pijpbeenderen (14.1.3)
geforceerde expiratie uitademing waarbij bepaalde spieren worden aangespannen (normale uitademing kost geen spierarbeid); bijvoorbeeld blazen, fluiten, zingen (9.3.2)
gefragmenteerd slaappatroon het minder lang en minder diep slapen dan normaal; komt veel voor bij ouderen (18.3.7)
geheugen vermogen om opgedane ervaringen te onthouden en later weer op te roepen (herinneren) (12.5.3)
gehoorbeentjesketen de drie gehoorbeentjes in het middenoor; ze liggen achter elkaar, zijn beweeglijk ten opzichte van elkaar en brengen trillingen van het trommelvlies over op het ovale venster (13.6.1)
gekruiste strekreflex ruggenmergreflex waar bij optillen van het ene been extra strekspieren van het andere been worden aangespannen (anders val je om) (12.10.2)
gemengde zenuw een zenuw die zowel afferente als efferente axonen bevat (12.4.3)
gen een stukje DNA dat de code van een eiwit of een erfelijke eigenschap bevat (2.2.3; 16.1.1)
genetica erfelijkheidsleer; wetenschap die de overerving van eigenschappen onderzoekt (16.1)
genitalia externa vulva; uitwendige geslachtsorganen (15.2; 15.3)
genitalia externa vulva; uitwendige geslachtsorganen (15.2; 15.3)
genitalia interna inwendige geslachtsorganen (15.2; 15.3)
genitalia geslachtsorganen (15.2; 15.3)
genotype het totaal aan erfelijke eigenschappen op de chromosomen (16.1.2)
geraamte skelet (14.1)
geslachten seksen (15.1)
geslachtschromosomen 23ste paar chromosomen van het karyogram; bepalen het geslacht van het individu, de vrouw heeft twee X-chromosomen en de man een X- en een Y-chromosoom (16.1.1)
geslachtshormonen door de gonaden geproduceerde hormonen die grote invloed hebben op de groei en ontwikkeling van de geslachtsorganen (11.8)
gestagene fase secretiefase; 15de tot 28ste dag in de menstruele cyclus; kenmerkt zich door sponsachtig opzwellen van het endometrium, zodat het geschikt is voor de innesteling van een eventueel bevruchte eicel (15.5.1)
gewrichtssensoren mechanosensoren in de gewrichtskapsels die standsveranderingen van de gewrichten registreren (13.7.3)
gewrichtsvlakken de twee botuiteinden die met elkaar een gewricht vormen; passen goed op of in elkaar (14.2.3)
gezichtsveld het gebied dat men met gefixeerd hoofd, met één oog waar kan nemen (13.5.3)
glad spierweefsel bestaat uit dicht tegen elkaar liggende spoelvormige contractiele cellen; beweegt relatief traag en is vrijwel onvermoeibaar; wordt aangestuurd door het vegetatieve zenuwstelsel (3.3)
gladde spieren onwillekeurige spieren; worden aangestuurd door het onwillekeurige (autonome) zenuwstelsel (3.3)
glandotrope hormonen hypofysehormonen die andere hormoonklieren in het lichaam in hun activiteit beïnvloeden (11.2.2)
glandula lacrimalis traanklier (13.5.4)
glandula parotis onderoorspeelselklier (7.2.2)
glandula pinealis pijnappelklier of epifyse cerebri; erwtgrote hormoonklier in het mesencephalon; produceert het hormoon melatonine (11.4)
glandula sublingualis ondertongspeekselklier (7.2.2)
glandula submandibularis onderkaakspeekselklier (7.2.2)
glandula suprarenalis bijnier (8.1; 11.8)
glandula thyroidea schildklier (11.5)
glandulae parathyroidea bijschildklieren (11.6)
glans clitoridis erdikte einde van de clitoris (15.2.1)
glans penis verdikte einde van de penis (15.3.1)
glasachtig lichaam corpus vitreum (13.5.2)
gliacellen cellen van de neuroglia; voeden, onderhouden en repareren het zenuwweefsel (12.4.1)
glomerulus vaatkluwentje in het kapsel van Bowman van het nefron (8.1.3)
glomerulusmembraan naar binnen gestulpte binnenwand van het kapsel van Bowman in een nefron (8.1.3)
glottis bovenste deel van het strottenhoofd (7.2.2)
glucagon door alvleesklier geproduceerd hormoon; bevordert de omzetting van glycogeen in glucose, waardoor bloedsuikerspiegel stijgt (11.7)
glucocorticoïden bijnierschorshormonen; de belangrijkste is cortisol (ofwel hydrocortison); brengt het lichaam in staat van paraatheid; werkt remmend op ontstekingsreacties (11.8.1)
glucogenese aanmaak van glucose (7.3.2)
gluconeogenese nieuwvorming van glucose (7.3.2)
glucose druivensuiker; monosacharide (enkelvoudige suiker) (7.1.1)
glucosurie aanwezigheid van glucose in de urine (17.2.3)
glucuronzuur van glucose afgeleid zuur; wordt in de lever aan giftige afvalstoffen gekoppeld (geconjugeerd); dit complex kan om vervolgens uitgescheiden worden (7.3.2)
glycerol bestanddeel van vetten (7.1.2)
glycocalix kenmerkend complex van koolhydraatmoleculen die aan de buitenkant van de celmembraan naar buiten steekt; bepaalt de herkenbaarheid van de cel voor andere cellen (2.2.1)
glycogeen een polysacharide; opslagstof van glucose in het lichaam; (7.1.1; 7.3.2; 11.7)
glycogenese aanmaak van glycogeen (7.3.2)
glycogenolyse afbraak van glycogeen (7.3.2)
golgicomplex celorganel; stapel afgeplatte blaasjes; binnen de blaasjes vinden stofwisselingsreacties plaats (.2.3.4)
gonaden geslachtsklieren; de eileiders en zaadballen (11.9; 15.5)
gonadotrope hormonen hormonen die een stimulerende werking hebben op de mannelijke en vrouwelijke geslachtsklieren (gonaden) (11.3.2; 15.5)
graaffollikel met vocht gevuld blaasje in de eierstok met een rijpe eicel, die op het punt staat uit de follikel vrij te komen (15.2.3)
granulae korrels in het cytoplasma (6.4.1)
granulationes arachnoidales uitstulpingen van het spinnenwebvlies (arachnoidea) in de dura mater, waardoor dat een korrelig uiterlijk krijgt (12.13.2)
granulocyten witte bloedcellen met een grote celkern en veel korrels (granulae) in hun cytoplasma; ruimen lichaamsvreemde bacteriën op (6.6.1; 6.9.1)
grensstreng perifeer deel van het sympathische zenuwstelsel; bestaat uit twee rijen ganglia die als een ketting aan weerszijden van de wervelkolom liggen (12.11.1)
grijze stof zenuwweefsel dat hoofdzakelijk uit zenuwcellichamen en korte dendrieten bestaat (12.4.3)
groeihormoon somatotroop hormoon (STH); door adenohypofyse geproduceerd hormoon; stimuleert groei in het hele lichaam (11.3.2)
groeisnelheid lengtetoename per tijdseenheid (18.3.9)
groeispurt snelle groei tijdens de pubertijd (18.3.9)
grote bloedsomloop lichaamscirculatie: linkerventrikel - aorta - slagaders - organen - aders - holle aders - rechteratrium (6.1)
grote hersenen cerebrum (12.5)
guanine stikstofbase in nucleïnezuur (DNA en RNA) (2.2.3)
gyri windingen van het hersenoppervlak (12.5.1)
gyrus postcentralis hersenwinding vlak achter de sulcus centralis (centrale groeve) (12.5.1)
gyrus precentralis hersenwinding vlak voor de sulcus centralis (centrale groeve) (12.5.1)