Van ECG tot Extremiteitsknoppen

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

ECG elektrocardiogram; het zichtbaar maken van de elektrische verschijnselen in de hartspier (hartfilmpje) (6.2.3)
echografie onderzoeksmethode met behulp van hoogfrequente geluidsgolven; de teruggekaatste golven worden geregistreerd en in beeld omgezet (1.2.2)
echoscopie onderzoeksmethode met behulp van hoogfrequente geluidsgolven; de teruggekaatste golven worden middels een oscilloscoop geregistreerd (6.1.3)
ectoderm buitenste kiemblad van de kiemschijf (bij het embryo van ongeveer 20 dagen oud); uit het ectoderm ontstaan zenuwstelsel, huid, sensorisch stelsel en delen van het hormoonstelsel (16.2.1)
EEG elektro-encefalogram; methode om elektrische golfpatronen in de hersenen te registreren en grafisch zichtbaar te maken (12.5.3)
eelt verdikking van de hoornlaag op de plaats waar de huid veel wrijving ondervindt (10.2.1)
eenlagig plaveiselepitheel plaatepitheel; eenlagig dekweefsel met relatief platte cellen (3.1.1)
éénsecondelongcapaciteit forced expiratory volume (FEV1); hoeveelheid lucht die in één seconde uitgeademd kan worden (9.4.1)
eerste afweerlinie (veelal uitwendige) beschermingsmechanismen die ziekteverwekkers moeten tegenhouden zodat ze het lichaam niet kunnen binnendringen; o.a. slijmvliezen, zweet, traanvocht, speeksel, ondoordringbare huid (6.7.1)
eerste harttoon hoorbaar bij het dichtklappen van de atrioventriculaire kleppen, op het moment van systole van de ventrikels (6.2.1)
efeliden sproeten (10.2.1)
effecthormonen hormonen van de adenohypofyse die rechtstreeks bepaalde lichaamsfuncties beïnvloeden (niet via een andere hormoonklier) (11.3.2)
effector uitvoerder; spier of klier die na prikkeling z'n werk doet (12.2)
efferente banen afdalende banen; bundels zenuwvezels binnen het centrale zenuwstelsel die efferente impulsen vervoeren (12.4.3)
efferente informatie impulsen die vanuit het CZS naar het PZS verlopen (12.3.2)
eifollikel eiblaasje; onrijpe eicel omgeven door follikelcellen, in de eierstok (15.2.2)
eilandjes van Langerhans groepjes hormoonkliercellen in de alvleesklier; produceren insuline en glucagon (7.3.1; 11.7)
eindarteriën meeste voorkomende vaatsysteem in het lichaam; arteriën-arteriolen-capillairnetwerk-venulen-venen (6.4.3)
eiwitsynthese aanmaak van eiwit in de cel (2.2.3; 7.1.3; 7.3.2)
eiwitten proteïnen; organische stoffen, opgebouwd uit aminozuren; het lichaam bevat honderdduizenden verschillende eiwitten, met zeer uiteenlopende functies (7.1.3)
ejaculatie zaadlozing (15.6)
ejectiefase fase van de hartcyclus waarin tijdens de systole bloed met kracht in de grote vaten (longslagaders en aorta) wordt gestuwd (6.2.1)
elastine lange, rekbare eiwitvezels; hoofdbestanddeel van elastisch bindweefsel (3.2.1)
elastisch bindweefsel bindweefsel dat voornamelijk bestaat uit elastische vezels (elastine) (3.2.1)
elastisch kraakbeen kraakbeen met veel elastine in het chondrine; krijgt hierdoor een grote vervormbaarheid (o.a. in oorschelpen) (3.2.2)
elastische arteriën grote arteriën waarvan de tunica media voornamelijk uit elastisch bindweefsel bestaat (6.4.1)
elastische vezels bindweefselvezels die uit elastine bestaan (3.2.1)
elektrocardiogram ECG; het zichtbaar maken van de elektrische verschijnselen in de hartspier (hartfilmpje) (6.2.3)
elektro-encefalogram EEG; methode om elektrische golfpatronen in de hersenen te registreren en grafisch zichtbaar te maken (12.5.3)
elektrolyten zouten (anorganische verbindingen) die in opgeloste vorm uiteenvallen in negatief en positief geladen deeltjes (6.6.4; 7.1.4)
ellipsvormig gewricht gewricht waarvan een ovaalvormige gewrichtskop past in een ondiepe gewrichtskom, zodanig dat de botten in twee richtingen kunnen bewegen (14.2.3)
email tandglazuur; harde bedekking van de tandkroon (7.2.2)
embryoblast concentratie kiemcellen in de blastocyste, waaruit het embryo ontstaat (16.2.1)
embryogenese embryonale ontwikkeling (duurt van dag 1 tot ongeveer week 9 van de zwangerschap) (16.2)
EMG elektromyogram; methode om elektrische activiteit in de spieren en in de zenuwen die deze spieren aansturen te meten (1.2.2)
emissie eerste fase van de ejaculatie waarin de sluitspier van de blaas contraheert en zaadvocht en spermatozoa naar de pars prostatica van de urethra worden gestuwd (15.6)
emulgatie het door galzure zouten uiteen doen vallen van grote vetdeeltjes in kleinere (7.2.6)
endocard binnenbekleding van het hart, bestaat uit endotheel (eenlagig plaveiselepitheel) (6.1.4)
endocardbuis eerste aanleg van het hart tijdens de embryonale ontwikkeling (rond week 3) (16.4.1)
endocardium endocard; binnenbekleding van het hart; bestaat uit endotheel (eenlagig plaveiselepitheel) (6.1.4)
endocriene cellen gespecialiseerde kliercellen die één type hormoon produceren en afgeven aan het bloed (interne secretie) (11.1)
endocriene klier klier zonder afvoergang, die het secreet (een hormoon) direct aan het bloed afgeeft (3.1.3; 11.1)
endocytose het opnemen van deeltjes door de cel; de celmembraan stulpt om de deeltjes heen en neemt ze in het cytoplasma op (2.2.2)
endogene factoren intrinsic factors; stoffen die in het lichaam zijn gemaakt (18.1.2)
endometrium baarmoederslijmvlies; bekleedt de holte van de uterus (15.2.4)
endomysium bindweefselmantel van een dwarsgestreepte spiervezel (14.6.1)
endoplasmatisch reticulum netwerk van met elkaar verbonden membranen in het cytoplasma (2.4.3)
endorotatie binnenwaartse draaiing; tegengesteld aan exorotatie (buitenwaartse draaiing) (4.4)
endoscopie onderzoek met gebruik van een optische sonde waarmee holle organen en gewrichtsholten zichtbaar kunnen worden gemaakt (1.2.2)
endotheel inwendig gelegen eenlagig plaveiselepitheel (in hart, bloed- en lymfevaten en in longen) (3.1.1)
enkelvoudig onverzadigd vetzuur vetzuur dat ergens een dubbele binding heeft tussen twee C-atomen, waardoor er twee H-atomen minder in het molecuul zitten dan wanneer er geen dubbele binding was (7.1.2)
enterohepatische kringloop kringloop tussen darmen en lever (wordt bijvoorbeeld door bilirubine doorlopen) (7.3.2)
enterokinase door de wand van de twaalfvingerige darm afgescheiden enzym; zet trypsinogeen om in trypsine (7.2.6)
entoderm binnenste kiemblad van de kiemschijf (bij het embryo van ongeveer 20 dagen oud); uit het entoderm ontstaan spijsverteringsstelsel, ademhalingsstelsel en delen van het hormoonstelsel (16.2.1)
enzymatische pomp vorm van actief transport in en uit de cel; enzymen (transporteiwitten) sluizen stoffen door de celmembraan heen (2.2.2)
enzymen door het lichaam gemaakte eiwitten die biochemische reacties in het lichaam sneller doen verlopen (2.1)
eosinofiele granulocyten bepaald type leukocyten (te kleuren met eosine), kunnen ook meercellige parasitaire indringers (zoals wormen) vernietigen (6.6.1; 6.9.1)
ependymcellen gliacellen in de wand van de hersenventrikels en het centrale kanaal; spelen een rol bij de vorming van liquor en het handhaven van de bloed-hersenbarrière (12.4.2; 12.13.2)
epicard epicardium; binnenste sereuze vlies van het pericard (hartzakje); is vergroeid met het hartoppervlak (6.1.4)
epicardium epicard; binnenste sereuze vlies van het pericard (hartzakje); is vergroeid met het hartoppervlak (6.1.4)
epidermis opperhuid; buitenste laag van de cutis, bestaand uit meerlagig plaveiselepitheel (10.2)
epididymis bijbal; rijpe spermatozoa worden hier opgeslagen en afgevoerd (15.3.3)
epidurale ruimte ruimte tussen dura mater en wervelkanaal (12.12.1)
epifysaire schijven groeischijven; kraakbeenschijven aan de uiteinden van pijpbeenderen waar vanuit lengtegroei plaatsvindt; verbenen op den duur (14.1.3; 16.4.9)
epifyse cerebri pijnappelklier; erwtgrote hormoonklier in de middenhersenen; produceert melatonine (11.4)
epifyse uiteinde van een pijpbeen (14.1.2; 16.4.9)
epiglottis strotklepje; veerkrachtig kraakbeenplaatje, is met een ligament aan het schildkraakbeen bevestigd; sluit de luchtpijp bij de slikbeweging af (7.2.2; 9.1.4)
epinefrine adrenaline gevormd door het bijniermerg; het hormoon brengt het lichaam in staat van paraatheid en werkt bloeddrukverhogend (6.5.5; 11.8.2);
epineurium bindweefselmantel van een zenuw (12.4.3)
epitheel dekweefsel (3.1)
erectie in opgerichte toestand, door opzwelling en verstijving (penis, clitoris, tepels) (15.3.1)
erogene zones plaatsen van het lichaam waar prikkeling seksuele opwinding veroorzaakt (15.6)
erytrocyten rode bloedcellen (3.2.4; 6.6.1)
erytropoëtine EPO; door nierweefsel geproduceerd hormoon dat de aanmaak van erytrocyten door het rode beenmerg stimuleert (8.1.7; 11.10)
Escherichia coli een van de 400 soorten darmbacteriën (7.2.7)
essentiële aminozure aminozuren die de mens niet zelf kan maken; hij krijgt ze via voedsel binnen (7.1.3)
excavatio recto-uterina ruimte van Douglas; peritoneale ruimte tussen uterus en rectum (7.4.3)
excavatio rectovesicalis peritoneale ruimte tussen en blaas en rectum bij de man (7.4.3)
excavatio vesico-uterina peritoneale ruimte tussen urineblaas en uterus (7.4.3)
excentrische contractie dynamische contractie waarbij de spier langer wordt (14.6.1)
exciterende neurotransmitters chemische boodschapperstoffen van het zenuwstelsel; veroorzaken postsynaptisch een depolarisatie, waardoor de impulsgeleiding wordt voortgezet (12.4.5)
excretie (1) uitscheiding naar buiten; (2) in de nier: het via actief transport uitscheiden van stoffen vanuit het bloed naar het nefron (8.1.4)
exocriene klier klier met afvoergang, die het secreet (o.a. zweet, talg, darmsap) naar het uitwendige milieu afgeeft (3.1.3)
exocytose het uit de cel werken van deeltjes, nadat ze in een blaasje van het cytoplasma zijn gescheiden (2.2.2)
exogene factor extrinsic factor; stof afkomstig van buiten het lichaam (7.2.5)
exorotatie buitenwaartse draaiing; tegengesteld aan endorotatie (binnenwaartse draaiing) (4.4)
experatoir reservevolume ERV; de hoeveelheid lucht die na een gewone uitademing extra uitgeademd kan worden (9.4.1)
expiratie inademing (9.3.1)
expressie het verschijnen als zichtbare eigenschap bij overerving (16.1.1)
expulsie tweede fase van de ejaculatie; hierin wordt sperma met grote kracht uitgestoten (15.6)
extensie strekbeweging; tegengesteld aan flexie (buigbeweging) (4.4)
extensor strekspier (14.6.1)
externe secretie de afgifte van in klieren of kliercellen geproduceerde stof aan het uitwendige milieu, o.a. van zweet, talg, darmsap (3.1.3)
externus uitwendig; tegengesteld aan internus (inwendig) (4.3)
exterosensoren sensoren die prikkels van buiten het lichaam opvangen (13.1.1)
extraperitoneaal buiten het buikvlies gelegen (4.6.3; 7.4.1)
extrapiramidale banen vanuit de hersenschors afdalende banen (motorisch zenuwvezels) tot in het ruggenmerg, die niet via de piramidebanen verlopen; zijn betrokken bij de grove motoriek (12.5.2; 12.9.2)
extremiteitsknoppen de aanleg van de extremiteiten (armen en benen) bij de foetus van 4 - 8 weken (16.2.2)