Van D-antigeen tot Dynamische contractie

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

D-antigeen resusantigeen; bepaald type bloedantigeen (6.10)
darmflora de bacteriën die van nature in de dikke darm leven (7.2.7)
darmsap verteringssappen die door de dunne darm afgescheiden worden (7.2.6)
decussatio pyramidum piramidekruising; kruising van de twee piramidebanen ter hoogte van de overgang tussen verlengde merg en ruggenmerg (12.7.3; 12.9.2)
defecatie ontlasting; het lozen van feces (7.2.7)
defecatiedrang door vulling van de ampulla recti ontspant de binnenste sluitspier zich reflexmatig; dit voel je als aandrang (7.2.7)
defecatiereflex ruggenmergreflex; vulling van de ampulla recti veroorzaakt reflexmatig verheviging van de darmperistaltiek en ontspanning van de inwendige sluitspier van de anus (7.2.7; 12.10.2)
delingsfase fase in het leven van de cel waarin deze mitotisch deelt (2.3.1)
deltaritme δ-ritme; langzaam en onregelmatig golfpatroon van het EEG wanneer de proefpersoon diep slaapt (12.5.3)
dendriet (meestal korte) zenuwvezel die de impuls naar het zenuwcellichaam toe geleidt (3.4; 12.4.1)
dens caninus hoektand (7.2.2)
dens (1) gebitselement (7.2.2); (2) naar boven gerichte punt van de tweede halswervel (draaier) (14.4.1)
dentes incisivi snijtanden (7.2.2)
dentes molares ware kiezen (7.2.2)
dentes premolares valse kiezen (7.2.2)
dentes sapientiae verstandskiezen (7.2.2)
dentine tandbeen, een soort botweefsel (7.2.2)
depolarisatie het minder negatief worden van de rustpotentiaal (12.4.4)
dermatoom huidsegment; huidgebied dat door één afferente ruggenmergzenuw wordt geïnnerveerd (12.9.3; 16.2.2)
dermis lederhuid; binnenste laag van de dermis, bestaand uit bindweefsel, bloedvaten, huidsensoren en ingezonken epidermale structuren (10.2)
desaminering afbraak van aminozuren, waarbij de aminogroep van het aminozuur wordt gesplitst (7.3.2)
descensus testes het afdalen van de testes van de plaats van ontstaan (buikholte) via het lieskanaal naar het scrotum (16.4.10)
desoxyribonucleïnezuur DNA; een bepaald type nucleïnezuur, opgebouwd uit ribose, fosforzuur en vier stikstofbasen (adenine, thymine, cytosine en guanine) (2.2.3)
dexter rechts; tegengesteld aan sinister (links) (4.3)
diafragma pelvis bekkenbodem; gespierde bodem van de buikholte (14.6.3)
diafragma middenrif; een uit pezen en spieren bestaande plaat, die de scheiding vormt tussen borst- en buikholte (4.6.2)
diafyse schacht; middengedeelte van een pijpbeen (14.1.3; 16.4.9)
diastole rustfase van het hart na een contractie (6.2.1)
diastolische bloeddruk bloeddruk tijdens de ventrikeldiastole; gemiddeld 80 mmHg (10,7 kPa); 'onderdruk' bij de bloeddrukmeting (6.5.2)
diencephalon tussenhersenen; tussen grote hersenen en hersenstam; bevat thalamus, hypothalamus (12.6)
differentiatie verschijnsel dat cellen zich in bouw en functie gaan onderscheiden van andere cellen (18.1.1)
diffusie natuurkundig verschijnsel; deeltjes bewegen zich van een plaats waar ze in een hoge concentratie voorkomen in de richting waar ze in lagere concentratie voorkomen; het streven is om overal gelijk concentratie te krijgen (2.2.2)
diffusieafstand afstand tussen de ruimtes waartussen diffusie plaatsvindt (2.3.1)
diffusieoppervlak oppervlak van de scheidingswand via welke diffusie plaatsvindt (2.3.1)
dipeptidase enzym dat kleine polypeptiden en tweevoudig eiwitten (dipeptiden) in aminozuren splitst (7.1.3; 7.2.6)
diploïd voorzien van 2n chromosomen; bij de mens is n = 23 (15.4.1)
disacharidase enzym dat tweevoudige suikers (disachariden) in twee enkelvoudige suikers (monosachariden) splitst (7.2.6)
disacharide tweevoudige suiker; opgebouwd uit twee monosachariden (7.1.1)
discriminatievermogen het vermogen om prikkels gescheiden waar te nemen (13.1.2)
discus articularis kraakbeenschijf; zit in sommige gewrichten, zoals het kaakgewricht en het kniegewricht (menisci) (14.2.3)
discus intervertebralis tussenwervelschijf; kraakbeenschijf met geleiachtige kern tussen twee wervellichamen (14.2.1; 14.4.1)
dissimilatie afbraakstofwisseling; stofwisseling waarbij grotere stoffen omgezet worden in kleinere stoffen; hierbij komt energie vrij (2.1)
distaal ver van de romp; tegengesteld aan proximaal (dichtbij de romp) (4.3)
distale tubulus tubulus contortis II; gekronkeld buisje van de 2de orde; opgaande kanaaltje buisje in het nefron (8.1.3)
diurese urinevorming (8.2)
DNA desoxyribonucleïnezuur; een bepaald type nucleïnezuur, opgebouwd uit ribose, fosforzuur en vier stikstofbasen (adenine, thymine, cytosine en guanine) (2.2.3)
dode ruimte gedeelte van de luchtwegen waar geen gaswisseling plaatsvindt (9.4.3)
döderleinbacillen van nature in de vagina levende staafvormige bacteriesoort (Lactophillus acidophilum)
doelwitcellen cellen die gevoelig zijn voor een specifiek hormoon; het hormoon heeft een specifieke uitwerking op de cellen (11.1)
doelwitorgaan orgaan dat gevoelig is voor een specifiek hormoon; het hormoon heeft een specifieke uitwerking op het orgaan (11.1)
dolor pijn; een van de ontstekingsverschijnselen (6.9.1)
dominant overheersend; van toepassing op allelen die de expressie van recessieve allel onderdrukken (16.1.2)
doppleronderzoek onderzoeksmethode door middel van hoogfrequente geluidsgolven; vooral toegepast om stroomrichting en stroomsnelheid vast te stellen (1.2.2)
dorsaal aan de rugzijde; tegengesteld aan ventraal (aan de buikzijde) (4.3)
dorsaalflexoren spieren die dorsale flexie van de hand/voet mogelijk maken (14.6.4)
dorsale lflexie beweging van de hand en vingers /voet en tenen in de richting van de handrug/voetwreef; tegengesteld aan palmaire flexie of plantaire flexie (bewegingen in de richting van de handpalm respectievelijk voetzool) (5.4)
dorsale mesenterium dubbele peritoneumplooi; ophangband aan de rugzijde van de buikholte; verbindt jejunum, ileum en delen van het colon met de dorsale buikwand (7.4.2)
dorsale mesenterium dubbele peritoneumplooi; ophangband aan de rugzijde van de buikholte; verbindt jejunum, ileum en delen van het colon met de dorsale buikwand (7.4.2)
dorstcentrum functioneel centrum in de hypothalamus dat een 'dorstgevoel' kan oproepen waardoor je gaat drinken; prikkel voor het dorstcentrum is een te hoge osmotische waarde van het bloed (12.6.2)
draagster gezegd van een vrouw die een X-chromosomaal recessief allel voor een bepaalde ziekte of afwijking heeft (fenotypisch niet waarneembaar); haar zoon heeft 50% kans dit allel te erven en de ziekte of afwijking te krijgen (bijvoorbeeld: bloederziekte, kleurenblindheid) (16.1.4)
drempelpotentiaal bepaalde waarde van het membraanpotentiaal (- 50mV); als deze overschreden wordt verloopt de depolarisatie stormachtig (12.3.4)
drempelwaarde membraanpotentiaal van de celmembraan van -50 mV; vindt nog verdere depolarisatie plaats dan wordt een actiepotentiaal opgewekt (12.4.4)
driehoekjes van Kiernan ruimten tussen de leverlobjes; bevatten een poortadertje, een leverslagadertje en een galbuisje (7.3.2)
drieslippige klep tricuspidaalklep of valva tricuspidalis; de atrioventriculaire klep van de rechter harthelft (6.1.32)
druksensoren sensoren in de huid die geprikkeld worden door een duwkracht op de huid (13.4)
drukzin gevoel van duwkracht op de huid (13.4)
dubbele bloedsomloop lichaamscirculatie (grote bloedsomloop) + longcirculatie (kleine bloedsomloop); linkerventrikel - aorta - organen - holle aders - rechteratrium - rechterventrikel - longslagaders - longen - longaders - linkeratrium (6.1)
dubbele vergrijzing het in aandeel toenemen van 80-plussers in de groep van 65-plussers (18.2)
ductuli efferentes buisjes die aansluiten op de rete testis en gezamenlijk uitmonden in de bijbalgang (15.3.2)
ductus arteriosus bij de foetus aanwezige verbinding tussen de arteria pulmonalis en de aorta (16.4.1)
ductus choledochus galbuis; mondt uit in de pancreasbuis (7.2.6; 7.3.1; 7.3.3)
ductus cysticus galafvoergang; begint bij de galblaas en verenigt zich met de leverbuis tot galbuis (7.3.3)
ductus deferens zaadleider; begint bij de bijbal en mondt uit in de pars prostatica (15.3.4)
ductus ejaculatorius ejaculatiegang; gedeelte van de zaadleider dat binnen de prostaat ligt (15.3.4)
ductus epididymidis bijbalgang; ongeveer 5 meter lange afvoergang van de bijbal (15.3.3)
ductus hepaticus leverbuis; hierop monden alle galgangen uit de lever op uit (7.3.2; 7.3.3)
ductus lymphaticus lymfebuis; groot lymfekanaal (6.8.1)
ductus pancreaticus alvleesklierbuis; vervoert pancreassap naar de twaalfvingerige darm (7.2.6; 7.3.1)
ductus thoracicus borstbuis; lymfekanaal dat lymfe afvoert naar het bloedvatenstelsel (mondt uit in de v. subclavia sinistra) (6.8.1)
ductus venosus bij de foetus aanwezige verbinding tussen de vena umbilicalis en de vena cava inferior (onderste holle ader) (16.4.1)
duodenum twaalfvingerige darm; eerste deel van de dunne darm na de maag (7.2.6)
dura mater harde vlies; buitenste van de drie hersenvliezen, bekleedt de binnenkant van de hersenschedel (12.12.1)
durazak zakvormige deel van de dura mater, caudaal van het ruggenmerg; bevat de cauda equina (12.12.1)
dwarsgestreept spierweefsel willekeurig spierweefsel; vertoont onder de microscoop een dwarse streping, als gevolg van de contractiele elementen die alle naar één kant zijn georiënteerd; vormt de skeletspieren, aangestuurd door het willekeurige zenuwstelsel (3.3; 14.6.1)
dynamica betrekking hebbend op bewegingen (4.4)
dynamische contractie isotonische spiercontractie; contractie van de spiervezels waardoor de spier van lengte verandert (14.6.1)