Van Caecum tot Cytotoxische T-cellen

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

caecum blindedarm; blind eindigende deel van de dikke darm ter hoogte van het begin van het ileum (7.2.7)
calcaneus hielbeen (14.5.4)
calcitonine door de C-cellen in de schildklier gemaakt hormoon; werkt verlagend op de calciumconcentratie in het bloed (11.5)
calices nierkelken; kelkvormige uitstulpingen van het nierbekken rondom de nierpapillen die urine vanuit het nierweefsel opvangen (8.1.1; 8.3.1)
calor warmte; een van de ontstekingsverschijnselen (6.9.1)
calyx nierkelk; kelkvormige uitstulping van het nierbekken rondom de nierpapillen; vangt urine vanuit het nierweefsel op (8.1.1; 8.3.1)
canalis centralis centrale kanaal; in de lengte verlopend kanaal door het centrum van het ruggenmerg, vanaf de vierde hersenventrikel tot onder aan het ruggenmerg (12.9.1)
canalis inguinalis lieskanaal (14.6.3)
capillaire druk bloeddruk in de haarvaten (6.5)
capillairen haarvaten (6.4.1)
capillairnetwerk haarvatennetwerk (6.4.1)
capsula articularis gewrichtskapsel; omsluit de gewrichtsholte (14.2.3)
capsula interna uitwaaierende band met zenuwvezels, vanaf de middenhersenen tussen de basale ganglia in de richting van de hersenschors (12.5.2)
caput femoris dijbeenkop (14.5.4)
carboxylgroep -COOH; bestanddeel van het aminozuur (7.1.3)
cardia deel van de maag waar de slokdarm op aansluit (7.2.5)
caroteen geel pigment in huid en haar (10.2.4)
cartilagines arytenoideae stelkraakbeentjes in het strottenhoofd (9.1.4)
cartilago cricoidea ringkraakbeen in het strottenhoofd (9.1.4)
cartilago thyroidea schildkraakbeen in het strottenhoofd (9.1.4)
cauda equina paardenstaart; bundel ruggenmergzenuwen in het wervelkanaal, caudaal van het ruggenmerg (12.9; 16.4.7)
caudaal aan de kant van het staartbeen; tegengesteld aan craniaal (aan de kant van de schedel) (4.3)
cavitas articularis gewrichtsholte (14.2.3)
cavum cranii schedelholte; door de hersenschedel omsloten holte waarin zich de hersenen en de hersenstam bevinden (14.3.1)
cavum Douglas ruimte van Douglas; peritoneale ruimte tussen uterus en rectum (7.4.3)
cavum oris mondholte; ruimte omgeven door wangen, lippen, gehemelte, kaken, gebit en achterst gehemeltebogen (7.2.2)
cavum tympani trommelholte; luchthoudende ruimte in het rotsbeen waarin zich het middenoor bevindt (13.6.1)
cavum uteri baarmoederholte; door baarmoederwand omgeven ruimte (15.2.4)
C-cellen calcitonine producerende cellen in de schildklier (11.5)
cel kleinste functionele eenheid van een organisme (2)
celademhaling aerobe dissimilatie (verbranding) in de cel (2.1)
celdeling mitose; uit een moedercel ontstaan twee identieke dochtercellen (2.5)
celdifferentiatie het in vorm en functie gaan verschillen van andere cellen (2.3.2)
celkern nucleus (2.2.3)
cellulaire immuniteit door T-lymfocyten verkregen immuniteit die gericht is op de vernietiging van lichaamsvreemde cellen (6.9.2)
cellulose plantaardige polysacharide; voor de mens onverteerbaar, maar onmisbaar bestanddeel in het voedsel vanwege de darmwerking bevorderende rol ('vezels') (7.1.1)
celmembraan plasmamembraan; dun zeer elastisch vliesje rond de cel, de celkern en de celorganellen; opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden (2.2)
celspecialisatie het vermogen van een cel om een specifieke functie te vervullen (2.3.2)
cement kitachtige stof waarmee hals en wortel van een gebitselement bedekt zijn (7.2.2)
centraal in het midden; tegengesteld aan perifeer (aan de uiteinden) (4.3)
centrale kanaal canalis centralis; nauw kanaal in het ruggenmerg, gevuld met hersenvocht (12.9.1)
centrale vene kleine ader in het centrum van een leverkwabje (7.3.2)
centrale zenuwstelsel deel van het zenuwstelsel dat omgeven is door een benig omhulsel (schedel en wervelkolom) (12.3)
centriolen twee identieke cilindervormige organellen die samen het centrosoom vormen; functioneel tijdens de celdeling (2.2.3)
centromeer plaats waar de twee identieke chromatiden tijdens de celdeling nog even aan elkaar vast blijven zitten (2.3.1)
centrosoom organel dat uit twee identieke centriolen bestaat; functioneel tijdens de celdeling (2.2.3)
centrum tendineum hartvormige peesplaat in het centrum van het diafragma (middenrif) (14.6.3)
cerebellum kleine hersenen (12.8)
cerebrum grote hersenen (12.5)
cerumen oorsmeer; gevormd door gespecialiseerde zweetklieren in de uitwendige gehoorgang (10.2.4; 13.6.1;)
cervicale lordose kromming van de wervelkolom in het halsgebied met de bolling naar voren (14.4.1)
cervix uteri baarmoederhals (15.2.4)
cervixkanaal buisvormige holte van de baarmoederhals (15.2.4)
cervixprop slijmprop in de baarmoederhals (17.2.10)
chemosensoren sensoren in de wanden van bepaalde bloedvaten die de pH-waarde of de zuurstofspanning van het bloed registreren (6.5.5; 9.3.3; 13.1.1)
chiasma opticum kruising van de oogzenuwen ter hoogte van de hypofyse (12.7.5; 13.5.3)
cholecystokinine weefselhormoon door de dunne darmwand afgescheiden; stimuleert galblaascontractie en de afgifte van alvleessap (7.2.6; 11.10)
cholesterol vetachtige stof die van nature in het lichaam voorkomt (o.a. in de celmembraan, in gal, bloed, lever en hersenen) (2.2.1; 7.1.2; 7.3.2)
chondrine kraakbeenlijm; matrix van kraakbeen (3.2.2)
chordae tendineae peesdraden tussen de atrioventriculaire kleppen en papillaire spieren van de ventrikelwand (6.1.3)
chorion eivlies of vruchtvlies; buitenste omhulling van de dooierzak en later van de chorionholte (16.2)
chorionholte een met vocht gevulde holte rondom amnionholte, kiemschijf en blastulaholte; gedurende de embryonale en foetale ontwikkeling wordt de chorionholte geheel ingenomen door de uitdijende amnionholte (16.2.1)
chorionvilli chorionvlokken; uitstulpingen van de chorion die later tot de placenta uitgroeien (16.2.1)
choroidea vaatvlies in het oog (13.5.1)
chromatide dochterchromosoom; aan het begin van de celdeling bestaat elk chromosoom uit twee identieke chromatiden die tijdens de deling uit elkaar worden getrokken (2.3.1)
chromatinedraden draderige structuur in het kernplasma; worden tijdens de celdeling zichtbaar en worden dan chromosomen genoemd (2.4.1)
chromosomen gespiraliseerde chromatinedraden; bevatten lange DNA-ketens die rond eiwitten (histonen) gewikkeld zijn (2.2.3)
chylomicronen lipoproteïnen; transporteren triglyceriden via de dunne darmwand naar de lymfe (7.2.6)
chylus vetrijke lymfe (7.2.6)
chylusvaten lymfecapillairen in de dunne darmwand (7.2.6)
chymase leb-enzym of rennine; een protease in maagsap die melkstremmend werkt (18.3.2)
chymus spijsbrij in de maag (7.2.5)
cilia (1) trilharen in trilhaarepitheel (3.1.1); (2) haarachtige celuitlopers van sensoren (13.1)
cilindrisch epitheel eenlagig dekweefsel met relatief hoge smalle cellen; binnenbekleding van de darm, de galblaas en de baarmoeder (3.1.1)
circulaire spierlaag kringvormig spierweefsel in de wand van buisvormige organen; maakt dichtknijpen mogelijk (7.2)
circulus arteriosus cerebri cirkel van Willis; een door anastomosen gevormde arteriële vaatkring aan de basis van de hersenen (12.14)
cirkel van Willis circulus arteriosus cerebri; een door anastomosen gevormde arteriële vaatkring aan de basis van de hersenen (12.14)
cisterna chyli verwijding aan het begin van de ductus thoracicus ter hoogte van het colon transversus; hierin monden de truncus lumbalis en de truncus intestinalis uit (6.8.1)
citroenzuurcyclus cyclische reeks van chemische omzettingen in de cel die resulteert in de aerobe dissimilatie van glucose (celademhaling); hierbij ontstaan energie, water en CO2 (koolstofdioxide) (2.2.3)
clavicula sleutelbeen (14.5.1)
climacterium menopauze, 'overgang'; levensfase (45 - 60 jaar) waarin de vrouw door hormonale veranderingen haar vruchtbaarheid verliest (18.3.6)
clitoris kittelaar; klein zwellichaam in de vulva (15.2.1)
coagulatie vorming van een bloedstolsel als gevolg van de stollingscascade (6.6.3)
cochlea slakkenhuis (13.6.1)
codons tripletten van boodschapper-RNA (m-RNA); zijn complementair aan de tripletten van het DNA (2.2.3)
co-enzym stof die noodzakelijk is voor de werking van een enzym; is per soort enzym verschillend; kan organisch of anorganisch zijn (2.1)
coïtus paring; geslachtsgemeenschap (15.6)
collageen bindweefseleiwit in de vorm van lange, onvertakte, niet rekbare vezels (3.2.1)
collaterale circulatie parallel aan een bloedvat verlopend bloedvat (6.4.3)
colloïdale oplossing vloeistof waarin grootmoleculaire deeltjes niet uiteengevallen zijn maar omgeven zijn door een watermantel (2.3.1)
colloïd-osmotische waarde COW; kracht waarmee een colloïdale oplossing water aanzuigt (2.2.2; 6.6.4)
collum femoris dijbeenhals (14.5.4)
colon ascendens opstijgende deel van het colon (7.2.7)
colon descendens afdalend deel van het colon (7.2.7)
colon sigmoideum sigmoïd; S-vormige deel van het colon; tussen colon descendens en rectum (7.2.7)
colon transversum dwarse deel van het colon (7.2.7)
colon karteldarm; grootste deel van de dikke darm (7.2.7)
colostrum biest; de eerste melk die de moeder na de bevalling produceert (18.3.2)
commissuren korte banen (bundels zenuwvezels) die hersendelen onderling met elkaar verbinden (12.4.3; 12.5.2)
complementcascade kettingreactie waarbij 16 plasma-eiwitten achtereenvolgens geactiveerd worden; hierdoor komen diverse afweermechanismen op gang (6.9.1)
complementsysteem onderdeel van de niet-specifieke afweer; geheel van minimaal 16 inactieve plasma-eiwitten die bij een besmetting in een cascade omgezet worden in hun actieve vorm (6.9.1)
computertomografie CT-scan; röntgentechniek waarmee door middel van een serie doorsneden met computerbewerking organen of delen daarvan zichtbaar gemaakt worden (1.2.2)
concentrische contractie dynamische contractie waarbij de spier korter wordt (14.6.1)
conceptie bevruchting (15.7)
concha auriculae oorschelp (13.6.1)
conchae neusschelpen (9.1.1; 14.3.1)
conjunctiva bindvlies (in het oog) (13.5.4)
conjunctivale zak ruimte in de plooi van het bindvlies op de plaats waar het aansluit op het ooglid (13.5.4)
contractie samentrekking (14.6)
contractiliteit samentrekbaarheid (3.3)
cor hart (6.1)
cornea hoornvlies (in het oog) (13.5.1)
corpora cavernosa penis zwellichamen van de penis (15.3.1)
corpus amygdaloideum amandelkern; een van de basale kernen in de grote hersenen (12.4.3)
corpus callosum hersenbalk; grote verbinding tussen linker en rechter hersenhelft (12.5.2)
corpus ciliare straalvormig lichaam (13.5.10)
corpus gastricum verticaal georiënteerde deel van de maag (7.2.5)
corpus geniculatum laterale deel van de thalamus waar de optische banen aankomen (13.5.3)
corpus luteum geel lichaam; klierachtig weefsel in de eierstok dat progesteron produceert; ontstaat uit de graaffollikel (15.2.2; 15.5.1)
corpus penis penisschacht (15.3.1)
corpus spongiosum penis zwellichaam in de penis, rondom de urineleider gelegen (15.3.1)
corpus sterni middenstuk van het borstbeen (14.4.2)
corpus uteri baarmoederlichaam; het gedeelde van de baarmoeder boven de baarmoederhals (15.2.4)
corpus ventriculi maaglichaam; het grootse, min of meer verticale deel van de maag (7.2.5)
corpus vertebrae wervellichaam (14.4.1)
corpus vitreum glasachtig lichaam (13.5.2)
cortex ovarii schors van de eierstok; hierin bevinden zich de eifollikels (15.2.2)
cortex schors (8.1.1; 12.5.1)
corticosteroïden door de bijnierschors geproduceerde hormonen (11.8.1)
cortisol hydrocortison ('stress'-hormoon); bijnierschorshormoon; brengt het lichaam in staat van paraatheid; werkt remmend op ontstekingsreacties (11.8.1)
costae ribben (14.4.2)
cotyledones lobben van de moederlijke deel van de placenta (16.4.1)
cowperklieren twee erwtgrote klieren onder de pars prostatica; produceren slijm tijdens de paring (15.3.5)
craniaal aan de kant van de schedel; tegengesteld aan caudaal (aan de kant van het staartbeen) (4.3)
cranium schedel (14.3)
creatinine afbraakproduct van het spiereiwit creatine; zit in urine (8.2)
cremasterreflex ruggenmergreflex; reflexmatig samentrekken van de m. cremaster (trekt de zaadbal omhoog) bij prikkeling van de huid aan de binnenkant van het dijbeen (12.10.2)
crista iliaca bekkenkam (14.5.3)
crossing-over het tijdens de meiose uitwisselen van stukjes chromosoom door twee naast elkaar gelegen homologe chromosomen (15.4.1)
crypten diepe plooien van de mucosa in de maag; hebben een klierfunctie (7.2.5)
cupula geleiachtige massa met cilia, in de ampulla van het evenwichtsorgaan; bevat mechanosensoren die geprikkeld worden wanneer de cilia bewegen (13.7.1)
curvatura major 'buitenbocht' van de maag aan de linkerkant (7.2.5)
curvatura minor 'binnenbocht' van de maag aan de rechterkant (7.2.5)
cutane vaatnetwerk middelste vaatnetwerk onder de huid (10.3)
cutis huid; orgaan dat de buitenste bedekking van het lichaam vormt, bestaat uit epidermis en dermis; vaak wordt ook de subcutis tot de huid gerekend (10.2)
cytolyse het te gronde gaan van een cel (6.9.2)
cytoplasma protoplasma; geleiachtig vocht in de cel inclusief de organellen (2.2)
cytosine stikstofbase in nucleïnezuur (DNA en RNA) (2.2.3)
cytosol geleiachtige vocht in d cel (exclusief de organellen) (2.2)
cytotoxische T-cellen bepaald type lymfocyten die geïnfecteerde lichaamscellen opruimen (6.9.2)