Van Bacterieflora tot Bursa synovialis

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

bacterieflora individuele lichaamseigen bacteriën op diverse plaatsen op of in de fysieke barrière (o.a. huid, vagina, darm) (6.9.1)
B-antigeen membraaneiwit van de erytrocyt behorend tot het ABO-bloedgroepsysteem, de antistof anti-B vertoont afweer tegen het B-antigeen (6.10)
baringskanaal de weg die het kind tijdens de geboorte in het bekken van de moeder aflegt (17.3.1)
barosensoren bloeddruksensoren in de wand van de aortaboog en de halsslagaders (6.5.5)
bartholinklieren twee slijmvormende klieren in de vulva; monden uit in het vestibulum vaginae (15.2.1)
basaalmembraan dunne bindweefsellaag tussen epitheel en het eronder gelegen weefsel (3.1)
basale ganglia basale kernen; liggen tegen de laterale wanden van het vierde hersenventrikel en spelen een belangrijke rol bij de aansturing van bewegingen (12.4.3; 12.5.2)
basale laag stratum basale; binnenste laag van de epidermis, met huidstamcellen en melanocyte (10.2)
basis pulmonis longbasis (9.1.7)
bauhinklep valva ileocaecalis; klep tussen ileum en dikke darm (7.2.7)
beenbalkjes in staafjes gestructureerd botweefsel in sponsachtig botweefsel (14.1.3)
bekkenbodem diafragma pelvis; onderkant van de buikholte, bestaat voornamelijk uit spieren (4.6.2; 14.6.3)
bekkenholte holte binnen het kleine bekken; bevat blaas, inwendige geslachtsorganen en het rectum (4.6.2)
bekkeningang overgang van grote naar kleine bekken (14.5.3)
bekkenuitgang opening aan de onderkant van het kleine bekken (14.5.3)
benige labyrint botweefsel dat het vliezige labyrint van het binnenoor omgeeft (12.6.1)
bètacellen β-cellen; bepaalde cellen in de alvleesklier die het hormoon insuline maken (11.7)
bètaglobuline β-globuline; plasma-eiwit met een transportfunctie (6.6.4)
bètaritme β-ritme; klein, snel en onregelmatig golfpatroon van het EEG wanneer de proefpersoon zijn ogen open heeft (12.5.3)
B-geheugencel bepaald type lymfocyt dat na een infectie gevormd wordt; blijft in het lichaam aanwezig en is in staat de immuunreactie tegen die bepaalde ziekteverwekker snel op gang te brengen (secundaire immuunreactie) (6.9.2)
biest colostrum; de eerste melk die de moeder van de bevalling produceert (18.3.2)
bifurcatio tracheae splitsing van de trachea in twee hoofdbronchiën (9.1.5)
bifurcatio splitsing in twee takken (6.4.2; 9.1.5)
bijniermerg medulla suprarenalis; centrale deel van de bijnier; produceert adrenaline en noradrenaline (11.8.2)
bijnierschors cortex suprarenalis; buitenste laag van de bijnier; produceert corticosteroïden (11.8.1)
bilirubine afvalstof die ontstaat na de afbraak van erytrocyten (6.6.1; 7.3.2)
bindvlies conjunctiva; dunne slijmvlieslaag aan de binnenkant van de oogleden (13.5.4)
bindweefselmatrix intercellulaire substantie in bindweefsel (3.2)
biokatalysatoren stoffen in het lichaam (enzymen) die chemische omzettingen versnellen (2.1)
blaasjestransport transport van stoffen waarbij de celmembraan zich om de te transporteren stoffen heen stulpt, een blaasje met inhoud vormt, fuseert met de celmembraan en de inhoud buiten of binnen de cel uitstort (2.2.2)
blastocyste menselijk embryo van 4 - 5 dagen oud; is nu een met vocht gevuld blaasje (16.2.1)
blastulaholte dooierzak; centrale holte binnen de blastocyste (16.2.1)
blikveld het gebied dat beide ogen zien wanneer het hoofd gefixeerd is (13.5.3)
blinde vlek de plaats in het netvlies waar zich geen zintuigcellen bevinden omdat daar de oogzenuw de oogbol verlaat (13.5.1)
bloedantigenen membraaneiwitten aan de buitenkant van de erytrocyt die een antigen-antistof-reactie kunnen veroorzaken (6.10)
bloeddruk tensie; druk die het bloed uitoefent op de hartwand of op de wand van de bloedvaten (6.2.2; 6.5)
bloed-hersenbarrière grenslaag tussen bloedcapillairen en liquor in de plexus choroideus van de pia mater; het endotheel van de bloedcapillairen is selectief doorlatend (12.13.2)
bloedplasma plasma; waterige bestanddeel van bloed; bevat alle stoffen van het bloed behalve de erytrocyten, leukocyten en de trombocyten (6.4.2)
bloedserum vloeistof die ontstaat na stolling van het bloed; bestaat uit bloedplasma zonder fibrinogeen (6.6.4)
bloedstolling hemostase; dit proces bestaat achtereenvolgens uit lokale vasoconstrictie, propvorming en coagulatie (6.6.3)
bloedsuikerspiegel glucoseconcentratie in het bloed (7.3.2; 11.7)
bloedtransfusie bloedtransplantatie; het overbrengen van bloed van de ene persoon (donor) naar een andere persoon (ontvanger) (6.10)
B-lymfocyt B-cel; bepaald type lymfocyt dat antistoffen (immunoglobulinen) maakt (6.9.2)
BMI body mass index of queteletindex (QI); methode om te berekenen of iemand een gezond lichaamsgewicht heeft (18.3.2)
body mass index BMI of queteletindex (QI); methode om te berekenen of iemand een gezond lichaamsgewicht heeft (18.3.2)
bolus spijsbrok (7.2.2)
borstademhaling inademing waarbij vooral de tussenribspieren aangespannen worden waardoor de thoraxwand omhoog beweegt (9.3.1)
borstelzoom microvilli; membraanuitstulpingen van de epitheelcellen in de wand van de dunne darm; veroorzaakt oppervlaktevergroting (7.2.6)
borstholte holte die omgeven wordt door ribben, borstbeen, middenrif, wervels en spieren (4.6.2)
borstklieren klieren onder de huid van de borst; ontwikkelen zich bij vrouwen tot melkklieren (10.2.4)
bovenste extremiteiten schoudergordel, armen en handen tezamen (4.5)
bovenste hoorns naar boven stekende punten van het dorsale deel van het schildkraakbeen van het strottenhoofd (9.1.4)
bovenste slokdarmsfincter sluitspier van de slokdarm ter hoogte van het strottenhoofd; opent alleen tijdens de slikbeweging (7.2.4)
bovenste spronggewricht gewricht tussen de talus (sprongbeen) enerzijds en de tibia (scheenbeen) en fibula (kuitbeen) anderzijds (14.5.4)
braakcentrum functioneel centrum in het verlengde merg, dat onder bepaalde omstandigheden het braakreflex opwekt (12.7.3)
braakreflex door antiperistaltiek wordt maaginhoud via de mond naar buiten gewerkt; treedt op bij prikkeling van maagdarmkanaal of farynxachterwand (9.3.3; 12.7.3; 12.10.2)
brachium arm (14.5.2)
brekende media de licht doorlatende delen van het oog, die tezamen werken als een bolle lens (13.5.3)
brocacentrum functioneel gebied in de premotorische schors in een van de hemisferen; stuurt de spieren aan die bij spreken betrokken zijn (12.5.3)
bronchi lobares grote vertakkingen van de trachea naar de longkwabben (9.6.1)
bronchi segmentales vertakkingen van de bronchi lobares (9.6.1)
bronchiolen dunste vertakkingen van de bronchi, zonder kraakbeen in de wand (9.6.1)
brunnerklieren slijm afscheidende klieren in de submucosa van het duodenum; het slijm is basisch, om de zure chymus uit de maag te neutraliseren (7.2.6)
bufferen het constant houden van de zuurgraad (8.1.6)
buikademhaling ademhaling waarbij vooral de buikwand naar voren beweegt (9.3.1)
buikholte abdomen; bevat maag, darmen, lever, galblaas, alvleesklier, milt, nieren, urinewegen en (bij de vrouw) geslachtsorganen (4.6.2)
buikhuidreflex ruggenmergreflex; reflexmatig samentrekken van de buikspieren wanneer men met een puntig voorwerp dwars over de buikhuid strijkt (12.10.2)
buikpers drukverhoging in de buikholte door gezamenlijke contractie van spieren van buikwand, bekkenbodem en middenrif (14.6.3)
buis van Eustachius nauwe verbinding tussen het middenoor en de neuskeelholte (13.6.1)
bulbus oculi oogbol (13.5.1)
bulbus olfactorius verdikte begin van de N. olfactorius (13.2)
bundel van His bundels prikkelgeleidende cellen; lopen vanaf de atrioventriculaire knoop via het atrium- en ventrikelseptum naar de apex; splitsen in twee bundeltakken in linker en rechter ventrikelmyocard (6.1.4)
bursa omentalis peritoneale ruimte achter de maag (7.4.3)
bursa synovialis slijmbeurs; een soort zakje gevuld met synovia (gewrichtsvloeistof) (14.2.3)