Van À terme datum tot Axon

Achter het begrip vind je de relevante paragraaf/paragrafen.

à terme datum veertig weken na de eerste dag van de laatste menstruatie (17.1)
à terme ‘op tijd', van toepassing als het nog ongeboren kind een embryonale periode van 40 weken heeft doorlopen (16.3)
A-antigeen membraaneiwit van de erytrocyt behorend tot het ABO-bloedgroepsysteem, de antistof anti-A vertoont afweer tegen het A-antigeen (6.10)
AB0-bloedgroepsysteem bloedgroepsysteem, waarbij sprake is van twee typen bloedantigenen en vier bloedgroepen: 0 (nul), A, B en AB (6.10)
abdomen buikholte; bevat maag, darmen, lever, galblaas, alvleesklier, milt, nieren, urinewegen en (bij de vrouw) geslachtsorganen (4.6.2)
abductie beweging van de middellijn af; tegengesteld aan adductie (beweging naar de middellijn toe) (4.4)
accommodatiebreedte afstand tussen het vertepunt en het nabijheidpunt (13.5)
accommoderen actieve vormverandering van de ooglens zodat je een voorwerp scherp ziet (13.5)
acetabulum gewrichtskom voor de kop van het femur (bovenbeen) (14.5.3)
achterhoofdsknobbels knobbels links en rechts van het foramen magnum (achterhoofdsgat) (14.3)
achterhoofdsligging geboorteligging van de foetus, waarbij deze met het hoofd naar beneden ligt zodanig dat het achterhoofd het diepst ligt (16.3; 17.4)
achterste gehemeltebogen achterrand van het zachte gehemelte (7.2.2)
achterste oogkamer ringvormige ruimte tussen iris en lens (13.5.2)
achterstreng witte stof tussen de achterhoorns van het ruggenmerg, bevat afferente vezelbanen (12.9.1)
acromion uitsteeksel van de spina scapulae, waar het schouderblad met een gewricht aan de clavicula (sleutelbeen) vastzit (14.5)
acrosoom kapje op de ovale kop van de spermatozoön (15.4.2)
actief transport vorm van stoffentransport (in en uit de cel) die de cel energie kost; gaat dus gepaard met ATP-verbruik (2.2.2)
actiepotentiaal potentiaalverandering (100 mV) langs een membraan die een impuls veroorzaakt (12.4.4)
actieve immunisatie immunisatie waarbij een verzwakte ziekteverwekker (antigeen) in het lichaam wordt gebracht waarna het lichaam zelf immuniteit opbouwt (6.9.3)
actieve vullingsfase fase van de hartactie waarbij de atria samentrekken en bloed naar de ventrikels wordt gestuwd (6.2.1)
actine eiwit in myofibrillen in spiervezels (14.6.1)
actinefilamenten draadvormige eiwitten in myofibrillen in spiervezels (3.3; 14.6.1)
adamsappel bovenrand van het schildkraakbeen die ventraal in de hals naar voren uitsteekt (vooral bij mannen) en die je ziet bewegen bij slikbeweging (9.1.4)
adaptatie het aanpassen van sensoren na langdurige, gelijkblijvende prikkeling (13.1.2)
adductie beweging naar de middellijn toe; tegengesteld aan abductie (beweging van de middellijn af) (4.4)
ademhalingscentrum ademcentrum; functionele centrum in de hersenstam waar de ademhaling gereguleerd wordt (9.3.3; 12.6.3)
ademhalingsfrequentie het aantal ademhalingen per minuut (9.4.2)
ademhalingsoppervlak totale oppervlak van de gezamenlijke alveoli (9.1.7)
ademhalingsspieren spieren die bij inspiratie aangespannen worden (9.3.1)
ademminuutvolume AMV; hoeveelheid lucht die in 1 minuut in- of uitgeademd wordt (9.4.2)
adempomp aanzuiging van bloed richting het hart door intrathoracale onderdruk tijdens de ademhaling; de onderdruk veroorzaakt verwijding van rechter atrium en de holle aders (6.2.2)
ademvolume tidal volume (VT); de hoeveelheid lucht die in rust in één ademteug ingeademd wordt (9.4.1)
adenine stikstofbase in nucleïnezuur (DNA en RNA) (2.2.3)
adenohypofyse hypofysevoorkwab; voorste deel van de hypofyse met een endocriene functie (11.3.2)
adenoïd tonsilla pharyngealis; lymfatisch weefsel in de neus-keelholte ('neusamandel'); maakt deel uit van de waldeyerring (6.8.2)
adenosinedifosfaat ADP; organische stof in de cel die energie vastlegt bij de binding met een fosfaatmolecuul (2.1)
adenosinetrifosfaat ATP; organische stof in de cel die gemakkelijk een fosfaatmolecuul afgeeft, waarbij de opgeslagen energie vrijkomt voor celprocessen (2.1)
adequate prikkel specifieke prikkel waar een bepaalde sensor gevoelig voor is (13.1.2)
adolescentiefase levensfase van de mens tussen het 12e en 20ste jaar (18.2)
adrenaline (1) epinefrine of bijniermerghormoon; brengt het lichaam in staat van paraatheid en werkt bloeddrukverhogend (6.5.5; 11.8.2); (2) exciterende neurotransmitter (12.4.5))
adrenocorticotroophormoon ACTH; bijnierschorsstimulerend hormoon; zet de bijnierschors aan tot de afgifte van corticoïden (11.3.2)
aerobe dissimilatie verbranding met behulp van zuurstof; hierbij komt energie vrij (2.1)
afdalende banen zenuwvezels binnen het centrale zenuwstelsel die efferente impulsen vervoeren (12.3.2)
afferente banen stijgende banen; bundels zenuwvezels binnen het centrale zenuwstelsel die afferente impulsen vervoeren (12.4.3)
afferente informatie impulsen die vanuit het PZS naar het CZS verlopen (12.3.2)
agglutinatie klontering van rode bloedcellen; treedt op wanneer iemand bloed ontvangt met antigenen waartegen hij antistoffen heeft (6.10)
albumine plasma-eiwit (6.6.4)
aldosteron bijnierschorshormoon dat invloed heeft op de uitscheiding van zouten door de nieren; werkt indirect bloeddrukverhogend (6.5.5; 8.1.5; 11.8.1)
alfacellen α-cellen; bepaalde cellen in de alvleesklier die het hormoon glucagon maken (11.7)
alfaglobuline α-globuline; plasma-eiwit met een transportfunctie (6.6.4)
alfaritme α-ritme of rustritme; regelmatig golfpatroon van het EEG wanneer de proefpersoon rustig ligt met de ogen gesloten (12.5.3)
algemene fascie bindweefselmantel (4.5.6)
allel één van de genen van een allelenpaar; een gen bestaat uit minimaal twee allelen, die op twee homologe chromosomen op dezelfde plaats (= locus) liggen (16.1)
allelenpaar twee allelen die zich op overeenkomstige loci (plaatsen) van de homologe chromosomen bevinden (16.1)
alveolaire dode ruimte ruimte in het longweefsel waar tijdelijk geen gaswisseling plaatsvindt omdat de capillairnetwerken daar niet doorbloed zijn (9.4.3)
alveoli pulmonales longblaasjes (9.1.7)
amenorroe het uitblijven van de menstruatie (17.2)
aminogroep -NH2; bestanddeel van elk aminozuur (7.1.3)
aminozuren bouwstenen van eiwitten; er zijn 20 verschillende aminozuren (2.2.3; 7.1.3; 7.3.2)
ammoniak NH3; giftige stof die ontstaat bij eiwitafbraak (7.3.2)
amnion binnenste eivlies dat het embryo omgeeft; produceert continu vruchtwater (16.2.2)
amnionholte ruimte rondom het embryo, gevuld met vruchtwater (16.2)
ampulla ductus deferentis verwijding van de zaadleider, vlakbij de blaas (15.3.4)
ampulla duodeni verwijding van het duodenum direct voorbij de pylorus (maagportier) (7.2.6)
ampulla recti verwijding van het rectumvlak voor de anus (7.2.7)
amygdala amandelkern; kern in de grote hersenen die deel uitmaakt van het limbische systeem (12.5.3)
amylase enzym dat zetmeel (een polysacharide) splitst in maltosemoleculen (disachariden) (7.1.1; 7.2.6)
anabole reactie assimilatie; chemische omzetting waarbij uit kleinere moleculen een groter molecuul wordt gevormd; hierin wordt energie vastgelegd (2.1)
anabole werking gezegd van androgene hormonen die eiwitaanmaak en spiergroei stimuleren (11.9)
anaerobe dissimilatie afbraak van energierijke stof zonder verbruik van zuurstof (2.1)
analyse onderzoek naar de samenstellende delen (1.5)
anastomosen dwarsverbinding tussen bloedvaten (6.4.3)
anatomie ontleedkunde; onderzoek naar de bouw van het lichaam (1.2)
anatomisch dode ruimte de ruimte in de luchtwegen waar als gevolg van de bouwkenmerken van de wand geen gaswisseling mogelijk is (9.4.3)
anatomische houding internationaal afgesproken houding van het lichaam als referentiekader (4.1)
androgenen mannelijke geslachtshormonen (11.8.1)
angiotensine bloedeiwit dat onder invloed van renine uit angiotensinogeen ontstaat; angiotensine verhoogt de bloeddruk (6.5.5; 8.1.5)
angiotensinogeen bloedeiwit, voorstadium van angiotensine (8.1.5)
animale functies functies van het lichaam die zorg dragen voor de interactie met de buitenwereld (4.3)
animale integratie (meestal bewuste) wisselwerking tussen het individu en diens omgeving (4.3; 12.3.1)
animale motoriek bewegingen die aangestuurd worden door het animale zenuwstelsel en die een rol spelen bij de animale integratie (12.5.3)
animale sensoriek waarneming van prikkels die een rol spelen bij de animale integratie (5.3.1; 13.1.1)
animale zenuwstelsel willekeurige zenuwstelsel; deel van het zenuwstelsel dat de animale integratie regelt (12.2)
annulus fibrosus kraakbenige ring die twee wervels met elkaar verbindt; binnen de ring ligt de nucleus pulposus (14.4)
anorganisch geeft aan dat een stof deel uitmaakt van de niet-levende natuur (7.1)
antagonist spier die een werking heeft die tegengesteld is aan de werking van een andere spier (14.6.1); ook van toepassing op de tegengestelde werking van het sympathische en parasympathische zenuwstelsel (12.10.2)
anteflexie voorwaartse beweging van arm, been, romp of hoofd; tegengesteld aan retroflexie (achterwaartse beweging) (4.4)
anterior aan de voorzijde; tegengesteld aan posterior (aan de achterzijde) (4.3)
anticodons tripletten van het transport-RNA (2.2.3)
anti-D anti-RhD-immunoglobuline; antistof tegen resusnegatief bloed (6.10)
antidiuretisch hormoon ADH of vasopressine; door hypothalamus geproduceerd en via de neurohypofyse aan het bloed afgegeven; verhoogt de doorlaatbaarheid van water in de wand van de distale tubuli en de verzamelbuizen, waardoor meer water naar het bloed teruggeresorbeerd wordt (6.5.5; 8.1.5; 11.3.1)
anti-D-profylaxe uit voorzorg toedienen van anti-RhD-immunoglobuline (6.10)
antigeen-antistofcomplex binding van het immunoglobuline (antistof) aan de buitenkant van bacteriën en virussen (6.9.2)
antigeenreceptor receptor op de membraan van een B-lymfocyt; past op de moleculaire structuur van een specifiek antigeen (6.9.2)
antigenen antilichamen; stoffen die een afweerreactie van het immuunsysteem uitlokken (6.9.2)
antilichamen antigenen; stoffen die een afweerreactie van het immuunsysteem uitlokken (6.97.2)
anti-RhD-immunoglobuline anti-D; antistoffen tegen resusnegatief bloed (6.10)
antistoffen immunoglobulinen; eiwitten die zich tegen antigenen richten (6.9.2)
antrum pars pylorica; maaguitgang; het laatste deel van de maag aansluitend op het duodenum (7.2.5)
anuli fibrosi (cordis) bindweefselringen tussen linker atrium en linkerventrikel en tussen rechter atrium en rechter ventrikel; hieraan ontspringen de hartkleppen (6.1.3)
anus einde van het rectum; bestaat uit twee sluitspieren (7.2.7)
aorta abdominalis buikaorta; in de buikholte gelegen deel van de aorta (6.4.2)
aorta ascendens omhoog gerichte deel van de aorta, aansluitend op het linkerventrikel (6.4.2)
aorta descendens naar beneden gerichte deel van de aorta, achterlangs het hart en distaal van de slokdarm (6.4.2)
aorta thoracica borstaorta; het in de thorax gelegen deel van de aorta (6.4.2)
aorta lichaamsslagader; ontspringt aan de linkerventrikel (6.4.2)
aortaklep valva aortae; drie valvulae semilunares (halvemaanvormige slippen) tussen linkerventrikel en aorta (6.1.3)
apex pulmonis longtop (9.1.7)
apex hartpunt (6.1.1)
apgarscore een cijfer waarmee men de conditie van de pasgeborene aangeeft (17.4.2)
appendix vermiformis wormvormig aanhangsel, ‘hangt’aan het caecum (7.2.7)
aqueductus mesencephali nauw kanaal tussen het derde en het vierde hersenventrikel (12.7.1; 12.13.1)
arachnoïdale ruimte spinnenwebruimte; ruimte tussen de arachnoidea mater (spinnenwebvlies) en de pia mater (zachte vlies) (12.12.2)
arachnoidea mater spinnenwebvlies (12.12.2)
arbor vitae levensboom; benaming van de witte stof van het cerebellum (kleine hersenen) bij mediane doorsnede omdat deze lijkt op een boom met stam en vertakkingen (12.8)
arcus aortae aortaboog; boogvormig deel van de aorta dat aansluit op de aorta ascendens (6.4.2)
arcus vertebrae wervelboog (14.4)
arcus zygomaticus jukboog; botstuk van de aangezichtsschedel (14.3.1)
arteria axillaris okselslagader (6.4.2)
arteria basilaris slagader aan de basis van de hersenstam, ontstaat door vereniging van beide arteriae vertebrales (12.14)
arteria brachialis armslagader (6.4.2)
arteria bronchialis slagader die van de aorta descendens aftakt; voorziet de luchtpijp en het longweefsel van bloed (6.4.2; 9.1.9)
arteria carotis communis dextra rechter gemeenschappelijke halsslagader (6.4.2)
arteria carotis communis sinistra linker gemeenschappelijke halsslagader (6.4.2)
arteria carotis externa uitwendige halsslagader (6.4.2; 12.14)
arteria carotis interna inwendige halsslagader (6.4.2; 12.14)
arteria cerebri anterior voorste hersenslagader (12.14)
arteria cerebri media middelste hersenslagader (12.14)
arteria cerebri posterior achterste hersenslagader (12.14)
arteria communicans anterior anastomose tussen de twee voorste hersenslagaders (12.14)
arteria communicans posterior anastomose tussen middelste en achterste hersenslagader (12.14)
arteria femoralis dijbeenslagader (6.4.2)
arteria fibularis kuitbeenslagader (6.4.2)
arteria gastrica sinistra maagslagader (6.4.2)
arteria hepatica leverslagader (6.4.2; 7.3.2)
arteria iliaca communis dextra rechter gemeenschappelijke bekkenslagader (6.4.2)
arteria iliaca communis sinistra linker gemeenschappelijke bekkenslagader (6.4.2)
arteria iliaca externa voorste aftakking van de gemeenschappelijke bekkenslagader (6.4.2)
arteria iliaca interna achterste aftakking van de gemeenschappelijke bekkenslagader (6.4.2)
arteria lienalis miltslagader (6.2.1; 6.6.2)
arteria mesenterica inferior tak van de buikaorta die de tweede helft van de dikke darm van bloed voorziet (6.2.1)
arteria mesenterica superior tak van de buikaorta die de dunne darm en de eerste helft van de dikke darm van bloed voorziet (6.4.2)
arteria ovarica eierstokslagader (6.4.2)
arteria pulmonalis longslagader; maakt deel uit van de longcirculatie (kleine bloedsomloop) (6.1.2; (6.2.1)
arteria radialis spaakbeenslagader (6.4.2)
arteria renalis nierslagader (6.4.2; 8.1.2)
arteria subclavia dextra rechterondersleutelbeenslagader (6.4.2)
arteria subclavia sinistra linkeronderbeenslagader (6.4.2)
arteria testicularis zaadbalslagader (6.4.2)
arteria tibialis scheenbeenslagader (6.4.2)
arteria ulnaris ellepijpslagader (6.4.2)
arteria slagader
arteriae arcuatae boogarteriën; voortzettingen van de interlobaire arteriën tussen niermerg en nierschors (8.1.2)
arteriae cerebelli slagaders die de kleine hersenen van bloed voorzien (12.13)
arteriae coronariae kransslagaders (6.3)
arteriae intercostales tussenribslagaders (6.4.2)
arteriae umbilicales navelstrengslagaders (16.2.2; 17.4)
arteriae vertebrales wervelslagaders (6.4.2; 12.14)
arterieel bloed slagaderlijk bloed; zuurstofrijk bloed (6.4.1)
arterieel wondernet arteriële portale circulatie in de glomerulus (8.1.3)
arteriële druk bloeddruk in de slagaders (6.5)
arteriële kleppen kleppen tussen de ventrikels en de daaruit ontspringende slagaders (6.1.3)
arteriële pomp voortstuwing van bloed door een vene, doordat de naast gelegen slagader door de polsgolf verwijdt en hierdoor de vene dicht drukt (6.4.1)
arteriële portale circulatie extra slagaderlijk capillairnetwerk (6.2.1; 8.1.2)
arteriolen kleine slagaders (6.4.1)
arterioveneuze anastomosen dwarsverbinding tussen een slagader en een ader (6.2.1; 10.3)
articulatio gewricht (14.2.3)
ascensus medullae schijnbare opstijging van het ruggenmerg in het wervelkanaal gedurende de foetale groei (16.4.7)
aspecifieke afweer afweer van het lichaam, zonder dat sprake is van specifieke antigen-antistof reacties (6.7.1)
assimilatie opbouwstofwisseling; chemische omzetting (anabole reactie) waarbij kleine moleculen samengevoegd worden tot grotere moleculen; hierbij wordt energie vastgelegd (2.1)
associatiebanen korte bundels gemyeliniseerde axonen die hersendelen met elkaar verbinden (12.4.3; 12.5.2)
associatieve schorsgebieden delen in de sensorische schorsgebieden van de hersenen die betrokken zijn bij de verwerking van de vele sensorische prikkels die tegelijkertijd de hersenen bereiken (12.5.3)
astrocyten stervormige gliacellen in het CZS die de zenuwcellen van voedingsstoffen voorzien en afvalstoffen afvoeren (12.4.2)
atelectase het tijdelijk niet ontplooid zijn van longblaasjes in de longtoppen (9.3.4)
atherosclerose aderverkalking; bloedvatvernauwing door plaquesvorming (18.3.1)
atlas eerste halswervel (14.4.1)
atriale natriuretrische factor door cellen in de atriumwand gevormd hormoon die bij bloeddrukverhoging wordt gevormd en het RAAS-systeem tegenwerkt (8.1.5)
atrioventriculaire kleppen AV-kleppen; bindweefselvliezen tussen atria en ventrikels (6.1.3)
atrioventriculaire knoop AV-knoop; zenuwknoop in de wand van het rechteratrium (6.1.2)
atrioventriculaire ritme intrinsieke prikkelfrequentie van de atrioventriculaire knoop van 50 per minuut (6.1.4)
atrium boezem (van het hart) (6.1)
atriummyocard gespierde (en middelste) deel van de atriumwand (6.1.2)
auris externa uitwendige oor, bestaat uit de oorschelp en de gehoorgang (13.6.1)
auris interna binnenoor; bestaat uit slakkenhuis, vestibulum en drie halvecirkelvormige kanalen (13.6.1)
auris media middenoor; bestaat uit trommelholte met de gehoorbeentjes (13.6.1)
auscultatie beluisteren van geluiden die door het lichaam geproduceerd worden (1.2.2)
autolyse zelfvernietiging door enzymatische afbraak (18.4)
autonome zenuwstelsel onwillekeurige zenuwstelsel of vegetatieve zenuwstelsel; reguleert de integratie van de vegetatieve orgaanstelsels (12.3.1)
axiale skelet centrale4 deel van het skelet; bestaat uit de schedel, de borstkas en de wervelkolom (14.1)
axis draaier; tweede halswervel (14.4)
axon meestal lange zenuwvezel; vervoert impulsen van het zenuwcellichaam af (3.4; 12.4.1)